martes, 24 de noviembre de 2009

Fuego con agua en el corazón

Mijn ogen vallen bijna dicht maar toch kan ik de stortvloed van woorden niet tegenhouden. Het is net als de regendruppels die onophoudelijk tegen mijn raam aan slaan. Eigenlijk zou ik mij moeten wagen aan de stapel maagdelijke papieren die hier nog steeds onaangeroerd voor me liggen, maar ik laat ze enkel vanavond nog voor even wat ze zijn. Een zomer lang op en neer fietsen van werk naar huis, van huis naar werk, en ook het eerste masterblok was om: Drie keer acht. Moe maar toch voldaan besloot ik te vertrekken uit de regen. Ik had enkel vier dagen om mijn hoofd te kunnen legen. Terug naar de stad zonder haast en zonder spiegels en waar er onverwacht gezellige cafeetjes verscholen zitten in smalle steegjes, waar je al tig keer bent voorbijgelopen. Gewoon omdat wandelen daar niet erg is ook al loop je op nieuwe blauwe hakken. Of omdat je het niet goed meer wist. Het gaf niet.
Naar een sprint op het vliegveld in Al -Mariya, tegenwoordig Almería samen met mijn favoriete roadtripster haalden we op de seconde de bus. Er moesten slechts vijf andere passagiers in hebben gezeten. Ongelofelijk zoiets. Op deze woensdagavond tegen tienen, toen ik de miljoenen lichtjes van stad voor me zag werd ik overvallen door felicidad, iets wat ik lang niet heb gevoeld na een gekwelde donderdagavond in juli. In de allerlaatste stadbus 33, kon ik niet meer stoppen met glimlachen en eenmaal in calle Cardenal Mendoza, vlakbij de fonteinen van Triunfo, woonde de Zuid- Italiaan, een jongedame uit Tenerife en een Malagueña met een rauwe stem. We lieten onze tassen voor wat ze waren in de kamer van de italiaan en verdwenen nog steeds pratend in de Andalusische straten, wij zijn immers nooit uitgepraat. Ik vond mijn weg naar de welbekende bar la antigualla waar een aardige spanjaard ons in ruil voor onze blikken een glas rode wijn schonk. Toen we hem wilde bedanken was deze reeds vertrokken. Ook dat is Granada, je moet je er niet afvragen waarom, waarvoor of wat. Het zit ergens in de stad.

Op de bloementjesmatras in een kamer sliepen tot de zon opkwam om vervolgens onze dag te beginnen met crepes op de plaza de la Universidad. Een beter begin kan men zich niet wensen. De man van de crepería lachte nog om mijn foute kop koffie van een Amerikaans concern, waarin ik hem gelijk gaf. De rest van de dag slenterden we door de stad, en bij het vallen van de namiddag streken we bepakt en bezakt met Zara, Friday's en nog meer tassen neer op de Paseo de los Tristes, in strijd met de waarheid weliswaar. 's Avonds waren het al the single ladies, in las Escuelas, een rumoerige studentikoze bar, waar ik alleen maar goede herinneringen aan had. Ze spraken over signos en over ingewikkelde liefde. Terwijl Elena alles moeilijk vond, was voor Maricruz het leven simpel. En terwijl Suzan in de wolken zat, bleef Tineke met beide benen op de grond. Ik zweeg, ik ben de contradictie zelf. Fuego con Agua en el Corazón. Misschien ga ik daarom graag lachend naar de Paseo de los Tristes. Terwijl de rest huiswaarts keerde om ter gaan studeren na twee glazen, besloot ik samen met de flamenca de nacht te plukken in de meest marginale bar van de stad. Het past totaal niet bij me; maar toch wilde ik er graag heen; El 'más que chupitos' , daar waar nummer 72, ooit mijn favoriet was, maar nummer 152 het deze keer won. Perfecto amor. Na deze misselijkmakende mix van alles wat ook maar iets met de liefde te maken had binnen een kwartier te hebben achterovergeslagen, besloten we de nacht dansend af te maken in de Soho, daar waar een feestje van de fisio gaande was. Ook de italiaan vonden we hier terug.

Vrijdag, was min of meer een herhaling van de donderdag. Overdag dan. Ik kocht een nieuwe mantel, laarzen en kastanjes op straat van de gitana, en 's avonds nam ik Tien mee naar de flamenco bar in het Albaycin waar ik tot op een half jaar geleden bijna iedere week kwam. De weg ernaartoe rook naar jasmijn, en mijn benen leken onuitputtelijk. Ik heb hier met zo veel mooie mensen gelopen, dacht ik. De Franse eigenaar van de bar knipoogde naar me, en zei ' je weet de weg'. De jonge flamenco danseres was weer een jaartje ouder geworden, doch sierlijker. De man iets meer gezet. Na de pizzas schonk de fransman ons een bakje huisgemaakte tiramisu, en een half uur later vonden we de weg terug naar beneden, zonder daarbij te vergeten, even opzij te kijken naar het overweldigende verlichte wereldwonder aan onze linkerzijde. Het liep al tegen elven, en stiekem besloot ik de taller latino te passeren op de Cuesta de Gomérez. Er lag geen rode loper, binnen was het er donker, en er lag stof op de kozijnen en plots dacht ik aan la ausencia, dat wat Montero ooit uitlegde. Het was maar een voorbeeld. Het werd de salsabar in het centrum, en na anderhalf glas Cuba en eindeloze danspassen met een andere latino gingen we terug naar het huis bij Triunfo. Het werd langzaam stiller, enkel een ritmisch geheel van tikkende hakken en nachtvogels maakten de scene af tijdens de weg naar huis...

Op de plaza de Bibrambla was het de lokale bevolking die het weekend vierde in de stad. Het had stijl. De marktkraampjes zorgden voor de kleuren, en de kruiden verdoezelden de geur van de vishandel die een eindje verderop stond. Iedereen zat al pratend aan hoge tafeltjes buiten in de zon. Kinderen speelden met het bronzen beeld op het plein, en de tientallen wagentjes blokkeerden de doorgangen. Niemand klaagde. Na een wandeling door het oude Realejo, eindigden we bij een schilderachtige tapasbar in het centrum. La taberna de Baco, oftwel Bacchus, de zogenaamde god van de wijn. Drie tinto's later besloot Tina een siesta te gaan houden terwijl Suzan en ik eten gingen inslaan voor de allerlaatste cena granadina van het jaar. laat ik er maar niet te veel over na denken. Als je bij alles wat je het laatste zou doen, moest stilstaan.

Zaterdag tegen vijven, een rode gloed verscheen aan de hemel en later liepen we blindelings langs de schappen van de Mercadona. Alles was nog steeds zoals toen, zelfs mijn favoriete Ribera del Duero stond nog op exact dezelfde plek, daartegenover de Rum en de pakken tafelwijn, met aan het einde de olijven. Met pit. Eenmaal thuis besloot ik nog even te studeren, maar door twee dansende meisjes en een italiaan die plotseling !Viva España! door het gebouw liet galmen, werd de theorieen van Krashen en Muñoz met de minuut vager. Tevergeefs verplaatste ik mij naar de keuken waar ik maar paprika's ging snijden. We kozen voor een simpele pasta. Makkelijk? Niets is minder waar. Bovendien waren er andere factoren waar je rekening mee moet houden bij het aangaan van deze uitdaging. Ten eerste er was er natuurlijk een italiaan pur sang, ten tweede een aperitief pur alcohol en ten derde? Een kapotte kurkentrekker pur... Dat laatste laat mag u zelf in vullen na het lezen van de onderstaande anekdote. Terwijl de pasta bijna klaar was, zo'n 11 minuten koken, onder toezicht van drie gillende keukenmeiden zou het praktisch gezien moeten lukken. Tot dat tijdens het openen van de Ribera, de kurkentrekker afbrak. Terwijl de pasta inmiddels 5 minuten kookte, poogde de italiaan om bij de beneden buren een andere kurkentrekker te lenen maar deze waren niet thuis. Ook de bovenburen lieten het afweten en we besloten onze krachten te bundelen. De pasta kookte nog steeds zo'n 4 minuten en na een hefboom te hebben gemaakt van een bieropener en drie trekkende jongedames kwam er beweging in. De pasta borrelde beeldig zo'n 3 minuten door en de italiaan bleef maar zingen. Inmiddels was ook de buurman van opzij gearriveerd. Wij bleven wrikken en de kurk schoot los. Resultaat? Wijn + Weke pasta, = gek genoeg, nog steeds lachende gezichten. De muziek van laptopDJ nam steeds wildere mixen aan, evenals mijn kapsel, en er kwam nog wat lokale bevolking het huisje binnen, waaronder een stel granadinos met precies zo'n zelfde rum. Nog voor drieen vierden we de laatste uren van de zaterdag in de Granada 10, de club in het hart van de stad. Ik had een zwart jurkje aangetrokken met de laarsjes, en ik had alleen maar ruimte nodig. Ik kon niet anders dan onbezonnen dansen, en ik zou ook niet anders gewild hebben. Totdat de het Alhambra op de berg haar lichtjes doofde, de fontein op de plaza weer water begon te spuwen, en vuur weer plaats maakte voor het water. Er is maar één waarheid mas claro que el agua;



Dale limosna mujer, que no hay en la vida nada, como la pena de ser, ciego en Granada.

(Francisco A. de Icaza)


Eva

domingo, 14 de junio de 2009

Ausencia

Ik zette het op een lopen en liet de stad achter me voor wat ze was. Vervreemd. Ik nam het vertrouwde pad naar boven want daar was het tenminste stil. Ooit liepen we hier met z'n tweeën, en had ik genoeg aan jouw arm. Ooit. Toen ik het laatste moorse boetiekje voorbij was en de enorme stenen poort passeerde zocht ik naar troost in de boog van schaduw. Het grind van de gladde kasseien van de straat knarstte onder mijn bruine laarzen en ik versnelde mijn pas. Welk uur het was of wat mijn bestemming zou zijn wist ik niet. Het deed er niet toe. Er waren geen stemmen noch maskers, en geen blauwe hemel...

Ik bleef lopen, alleen. De laatste winterse regendruppels sijpelden in het gootje naast mij naar beneden, en het geruis van de wind door de bomen leek op gefluister dat mij het mysterie van de stad duidelijk probeerde maken in een taal die ik niet beheerste. Onverstaanbaar. Ik week af van het pad, en kwam uit bij de open plek. Ooit hadden we hier een zondag doorgebracht, onder de oude eik, met z'n zevenen. De halve wereld op een geruiten kleed. Waar we lachten en dronken, oranje bessen van de bomen plukten en elkaar verhalen vertelden. Ooit. Nu was het er leeg en stil. Geen stemmen noch maskers, geen blauwe hemel, geen flessen rode wijn...

Ik liep nog verder, en de lucht kreeg langzaam een bittere smaak. De weergoden lieten hun donkere stemmen weerklinken tussen het zilver van de bergen, maar gelukkig bood het groene dak boven mij bescherming tegen de vallende tranen uit de hemel. Ondoordringbaar. Ooit, op een winterse dag in November meenden we de wereld te kunnen verbeteren terwijl naar de foto's langs de kant van het pad keken, en discussieerden over muziek en toekomstplannen. Diezelfde dag, toen we pacha mama nog op handen droegen. Ooit. Vergeten zal ik het niet. Nu hoor ik geen stemmen noch maskers, zie ik geen blauwe hemel, geen flessen rode wijn, geen zilveren bergen...

Intussen liep ik mijlenver en ik wendde mijn hoofde af en merkte de stenen trap langs de kant van het pad op. Onveranderd. Terwijl ik omhoog liep, dacht ik aan wat ik hoopte te zien. En de wijdse oliveira doemde langzaam op. Dit was het hoogste punt, waar ik toch ooit verdwaalde, mezelf compleet verloor tussen de honderden olijfbomen, en mijn weg weer terug vond door de gouden zon te volgen die me terug bracht naar het allermooiste huis van de stad. Ooit. Nu kende ik de weg nog steeds, maar er waren geen stemmen noch maskers te bekennen, geen blauw van de hemel, geen flessen rode wijn, geen zilveren bergen en geen gouden zon...

Plots schrok ik op, en voor het eerst dacht ik jouw arm te voelen en leek ik de bomen te verstaan die fluisterden; 'Volgende halte'... Neckardreef'. Er was nog steeds niemand. Het mooie groene dak dat eerst nog bescherming bood werd langzaam grijs, en omarmd door slechts het wit gevlochten hengsel van tas die ik bij me droeg bedacht ik me dat het half elf was, en het langzaam nacht werd. Onthecht. Voor het eerst had ik een hekel aan lopen.

Geen stemmen noch maskers, geen blauwe hemel, geen flessen rode wijn, geen zilveren bergen, geen gouden zon... maar twee haltes te ver.


Eva

miércoles, 6 de mayo de 2009

Las mañanas cusqueñas

Cusco, dag drie. De volgende dag had ik gek genoeg geen wekker nodig. In ieder geval, geen telefoons of muziekspelers, noch andere moderne uurwerken. De hanen ietsje verderop lieten duidelijk van zich horen deze ochtend, door de toch wel enkele beglazing van het hostal. Lekker primitief, maar de snooze –functie van dit Peruaans gevederte doet het gegarandeerd, en je kan het helaas niet uitzetten. Nou ja, ieder voordeel heb z’n nadeel zeg ik altijd maar, want als je om kwart voor acht op staat, ben je wél de eerste in de douche, de eerste voor het ontbijt, de eerste achter de enige computer in’t hostel, en heb je als eerste de spiegel en alle tijd om ook nog je haar te doen en je spullen bij elkaar te zoeken, én vervolgens de halve Lonely Planet uit te lezen, denk je, en voor je het wist was het half elf en stonden Tineke, Sandra en ook onze Ángel weer klaar om weer naar de bus te gaan. Destino?... Valle Sagrado, oftewel de Heilige Vallei.

Dit keer was ik al minder enthousiast als voorheen want een bus is altijd weer hetzelfde verhaal. Je rijdt ergens naartoe, je stapt uit, loopt rond, luistert naar de gids, stapt in en de bus rijd weer verder. Zo ging het ook precies, dus om een lang en saai verhaal kort te maken. De eerste halte was een kleine artesanía langs de kant van de weg, en vervolgens Pisac, de eerste Inca en pré- Inca ruines, met een astronomisch observatorium. Ik hoor jullie denken, nog meer stenen?Ja, maar voor mij is dat leuk, want ik kan alles vergelijken met dat wat ik ooit eerder ergens anders heb gezien, tussen de verschillende inheemse culturen, plus daarbij dat je er altijd weer iets Quest- achtigs van opsteekt. Toch moesten we in Pisac langer moesten lopen dan we dachten, langs een afgrond weliswaar en ook al heb je dit niet in de laaglanden, geloof me, het went. In goed gezelschap van wat Brazilianen en Argentijnen, (Tien had ze ook al gespot), hadden we behalve het fantastische uitzicht nog wat meer om te bezichtigen, en het zit natuurlijk gewoon bij de prijs inbegrepen, en dat was ook leuk. De volgende halte was in Urubamba, een gezellig wegrestaurant, dat over het algemeen nooit echt tegenvalt en daarna reden we door naar Ollantaytambo, daar waar we ook ooit eerder met de trein uit Aguas Calientes waren gestrandt.. eigenlijk was dat het gister nog, gekgenoeg. Ook hier werd er verteld over de terrassen waarop de Inca’s verschillende gewassen verbouwden, zagen we de graftomben verscholen in een berg, en leerden we iets over het gebruik van water.

Het was al laat in de middag en de bus reed verder de Andes in, naar het bergdorp Chinchero waar iets bijzonders gaande was. Het begon inmiddels al koud te worden, ook om de reden dat we weer zo’n vierhonderd meter stegen dus ik haalde mijn witte alpaca trui tevoorschijn. Dat klinkt misschien niet zo hip, dat weet ik, maar hij is het toch echt wel, al zeg ik het zelf. In Chinchero, was net een processie bezig vanwege het paasweekend en ‘El Señor de los temblores’ (De heer der aardbevingen), voor ons gewoon ‘Jezus Chr.’ de zoon van God, werd de kerk weer uit gedragen. Zoals we weten, ligt Peru op een breuk waardoor de aarde vaak in beweging is. ‘El Señor de los Temblores’, de beschermheilige van menig Peruaanse erfgoed, neemt dus deel aan de processie op deze Heilige Maandag. Dat was bijzonder om eens mee te maken, als Nederlandse tussen de Peruanen. De mensen kijken en observeren je, en een wat oudere man sprak me gewoon aan en vroeg waar ik vandaan kwam, terwijl ik samen met de rest in de stoet aansloot, ‘ik ben Peruaan, welkom’ zei hij, en gaf me een hand. Zo zou de hele wereld moeten zijn, dacht ik, dan zouden we veel minder problemen hebben, terwijl de lokale fanfare inzette. Voordat we de bus ingingen, het was inmiddels donker geworden, aten we nog een stuk kaas met een maïskolf, die de vrouwen in het dorp in grote ijzeren ketels kookten op straat.


Die avond, hebben we nog zo’n drie kwartier op het enorm drukke plein van Cusco gestaan. De opkomst was enorm, en eigenlijk wisten we niet zo goed meer in welke richting we naar ons hostel moesten lopen. En ach, met drie soortgelijke kathedralen aan elke zijde van de plaza de Armas, is dat misschien ook niet zo raar. Terwijl Sandra en Tineke bakkeleiden over waar we nou heen moesten, haalde ik mijn schouders op.. ‘God weet waar waarheen’ dacht ik, wachtend op wat er met ‘El Señor’ zou gaan gebeuren. Toen het enorme kruisbeeld de binnen de kerk werd gedragen, begonnen opeens alle mogelijke sirenes te loeien, en de grote verlichte Jezus, op de berg Saqsayhuamán achter het stadcentrum, sprong plotseling aan. En laat dat nou net in de richting van ons hostel liggen. Verrek, Zie je wel dat God het weet?... De rest van de avond zaten we weer in Jack’s, dat toch wel favoriet was geworden. Normaal gesproken ga ik nooit zo graag een paar keer naar hetzelfde restaurant, maar deze was zoo goed, dat we er niet eens over hoefden te peinzen. Ik wist eigenlijk in de bus al waar ik deze keer voor ging,

Hasta mañana..

martes, 5 de mayo de 2009

Pachu de Micchu..?

Met twee truien, een muts en laarzen, zaten we op ’s ochtends om half acht dicht tegen elkaar gedoken in een trein van Poroy naar Aguas Calientes. De blauwe locomotief blies zuchtend grijze wolken naar de lucht, en zette zich langzaam in beweging. Ik dacht dat het ijzeren dieselpaard wel even de tijd nodig had om op snelheid te komen, maar na twintig minuten heb ik deze gedacht maar gelaten voor wat hij was. Deze trein reed gewoon niet harder. Ik deelde de bank met Sandra en tegenover zat een vriendelijk Colombiaans stel uit Medellín, waarmee we aan de praat raakten maar waarvan ik de namen alleen niet meer weet. De twintig jaar jongere vrouw heette ook Sandra, volgens mij, dat weet ik nog, en het kaartje van de man moet nog ergens in mijn tas zitten. De treinreis naar het dorpje aan de voet van de Machu Picchu (Oude berg) duurde precies drie uur, langs dorpen en gehuchten, de onstuimige Urubamba rivier en de grote rotsblokken van het Andes gebergte. Het was prachtig, maar drie uur is toch wel lang. Ik vermaakte mezelf door foto’s uit het raampje van de wagon te maken, en een beetje heen en weer te lopen.

Toen we het station naderden, zagen we nog niks. We hadden nog een tocht naar boven voor de boeg. Snel wat te eten zoeken, en daar gingen we. Al bewegend zagen we de blauwe trein onder ons steeds kleiner worden, tot er hij na enige tijd veranderde in een minuscuul Märklin- treintje tussen het groene gebergte. Ik moest meteen denken aan de miniatuurtreintjes van mijn vader, en de spoorbaan die ooit uitgestald stonden op de zolder van ons oude huis, maar nou ergens in een doos moest zijn verdwenen. Deze gedachte werd overtroffen door de Wayna Picchu (Jonge berg) die echter als eerste op mijn netvlies verschijnt, ze is hoger, vandaar. Terwijl we nog steeds richting de verborgen stad liepen, en we al door de poorten waren gekomen, was er nog geen glimp op te vangen van de Inca stad. We klommen op ons eigen tempo door de Peruaanse Jungle omhoog achter de gids aan. En dan opeens dan krijg je het voor je. Dan hoor je muziek, niet in echt natuurlijk, maar dat hoorde alleen ík in mijn hoofd, als ik iets geweldigs zie. Daar beneden, daar lag het. Wauw, this is it..!




Ik stond nu zelf in de foto, samen met Sandra en Tien waarnaar ik wel tachtig keer heb gestaard in de Lonely Planet. 'Of in het het schilderij op de muur van Javi’s kantoor in Granada, en op de satelliet van Google Earth. Het is werkelijk magisch. Machu Picchu. En echt, you can feel the old spirits..! De Spaanse gids vertelde de mythes en de legendes van het werelderfgoed ten noorden van Cusco, dat het pas ontdekt in het jaar 1911 door een Engelsman die op een ezel het gebergte in trok. De stad moest zo rond 1437 zijn gesticht maar het is slechts 100 jaar bewoond geweest. Waarom de stad is verlaten, weet niemand. Waarschijnlijk een epidemie moet de stad hebben leeg doen lopen. De Spanjaarden, waarvonder Pizarro, hebben de stad echter nooit ontdekt… Daarom is het in zijn geheel intact gebleven, al moest er her en der wel even gesnoeid en wat gras gemaaid worden natuurlijk.. We hebben een halve dag op de spirituele plek mogen doorbrengen, en zijn we ook drie keer van outfit gewisseld door de wolken die gewoon door ons eens kwamen, maar het was zeker de moeite. We hebben de Inca muren, tempels en gebouwen met onze blote handen kunnen aanraken, nog wat geleerd over de bouw- en vechttechnieken en dat er drie manieren zijn om rotsen te splijten. Namelijk water, hout, en vuur, en over hoe je verschillende gewassen kan verbouwen op dezelfde berg. En ach, je weet maar nooit waar je het nog eens voor nodig kan hebben, zeg ik dan, denkend aan mijn avocadoplant die ik Utrecht ben vergeten in de keuken te zetten. Jammer dan. Ik plant wel weer een nieuwe... Er waren ook zelfs nog wat lokale Andes bewoners thuis, zoals de lama’s, alpaca’s en vicuñas die vreedzaam op de terrassen stonden te grazen. En ja, je mag ze rustig fotograferen, ze hoeven er niks voor terug.. Terwijl het al tegen vijven begon te lopen en onze maagjes lieten weten dat ze ook nog present waren daalden we weer af, waar ik me in een klein Mexicaans restaurant in het Peruaanse dorp te goed deed aan jawel.. pizza.

Terwijl we nog even over de markt struinden, en Sandra er een sport van maakte om overal af te dingen totdat het niet voor minder kon, luisterde Tien en ik aandachtig naar de manier waarop deze Oostenrijkse dat deed, om er vervolgens van de profiteren. En dat lukte. Voor een paar sol zaten we uiteindelijk in de trein terug, Sandra met nieuwe oorbellen, en Tineke en ik met een nieuwe portemonnee. Het was inmiddels donker geworden en de Vista trein van de terugweg was wel sneller en luxer ook. Het was een enkel rijtuig, en leek meer op een oude tram, met een soort van glazen dak. Hierdoor kon had je echt een fantastisch uitzicht naar hemel, waaraan duizenden sterren verschenen. Na enige tijd stopte het rijtuig in het dorp Ollantaytambo, ons eindstation. Vanaf hier zouden we met een bus opgehaald worden, om terug naar Cuzco te gaan. Zouden...

Na een half uur zoeken naar een bus die er niet was, vijf boze telefoontjes die ons uiteindelijk niks opleverden gingen we in zee met de opdringerige taxichauffeur die ons wel voor 80 soles naar Cusco wilde rijden. Er was iets aan hem dat me niet aanstond, maar we hadden blijkbaar geen andere keus. Hij wilde het maar al te graag doen, maar waarom er stonden toch nog meer mensen? De eerdere spannende verhalen van Tineke over ontvoeringen en verdwijningen werken ook niet echt bevorderend, maar she was damn right..! Het was gevaarlijk om zomaar negentig kilometer in het wilde westen met één of andere vage taxichauffeur mee te gaan door een in Andes. Als je moeder het wist. Maar wat moesten we dan? in de dorp was anders ook niks. En we waren we met z’n drieën, maar toch, ik heb mijn ogen de hele weg wijd open gehouden, en geestig genoeg dacht aan de Inca- vecht technieken die ik eerder op de dag gehoord had.. in geval van nood dan. De hele weg door de Andes, werd er niks gezegd en toen we eindelijk in Cusco aankwamen moest ik eigenlijk wel een beetje lachen om mijn voorbarige gedachten, ik ben wel blond.. maar toch he. Ik zag dat er bij Tien ook een glimlach verscheen en ik slaakte toch wel een zuchtje van verlichting. We zijn er…

Roadtrippin' to Cusco..

.. en daar zijn we gek op, al moeten we de hele nacht wakker blijven. Wat dus ook zo was. Tien kwam terug van haar ‘Perentino’ of ‘Argentano’ date, wat je ook wil, maar in ieder geval door mij goedgekeurd. Ver na enen weliswaar terwijl ik nog een spaanse cultfilm afkeek op mijn geliefde laptop en ik had mijn roadtriptasje alweer ingepakt op het bed gezet. Deze keer kreunde het niet en de rits ging zonder mokken dicht. Tien’s rugzak stond er wel hoogzwanger bij, maar de backpack van Sandra spande toch wel de kroon… of nou ja, de kroon. De zoom. Om drie uur ’s ochtends stond er weer een taxi klaar voor General Silva nr. 699, en onze tassen werden achterin geladen. Op het laatste moment griste ik nog snel een zak Doritos van tafel die over was gebleven van een verjaardagsfeestje, en reden we even later door Lima- by- night richting het de airport. De taxi reed hard en de weg ernaartoe wat eerder een drukke verkeerschaos was van toeterende bussen en kruisende voertuigen, leek nu meer op een verlaten racecircuit, waarvan deze taxi dierbaar gebruik maakte. Ook de borden boven de vierbaansweg, waren op één of andere manier minder opvallend geworden en de zee was een was veranderd in een donkere vlek. Het wijzertje van de kilometerteller zakte van ongeveer 130 naar de 90 en het glazen gebouw van Lima airport doemde voor ons op.

Twintig minuten later zaten we onderuit gezakt op een bankje voor de controle. Niemand sprak. Ik overhandigde Tien een paar Amerikaanse dollars om vliegbelasting te betalen, ik vroeg waarom, waarop ze geen antwoord gaf. Het zal wel weer een té simpele vraag zijn geweest,.. ‘niet alles is zoals in Europa’, zei ze uiteindelijk. ‘Slaapgebrek’, dacht ik. Ik had geen zin om er verder op in te gaan, en sloot aan in de rij voor de bagagecontrole. Terwijl de twee behendig hun spullen uit en weer inpakte, werd ik plots uit de rij geplukt. De man wees naar een kaart met allerlei plaatjes, en hield mijn mini- deo omhoog. Dit valt onder explosieven, mompelde de meneer, ik knikte, en het flesje werd in een transparante bak gemikt. Tien en Sandra wachten nieuwsgierig buiten de controle op me, en toen we eenmaal in het vliegtuig zaten haalde Tineke opeens een normale grote bus deodorant uit haar tas.. ‘en dit dan zeker niet’. ‘Sja’, ik grinnikte, maar vroeg ook deze keer maar niet verder.‘ Inderdaad, niet alles is zoals in Europa’, bevestigde Sandra lachend.

Terwijl we al enige tijd vlogen over een dik wolkendek, de rest in slaap was gevallen, en ik uit verveling al twintig keer het ‘wat-te-doen-bij-nooduitgangen-in-geval-van-nood- boekje had gelezen, staarde ik maar uit het raampje en zag dat er opeens zwarte punten uit het witte wolkendek staken. We vlogen boven de Andes en de voormalige Inca stad was op nog slechts tien minuten van ons verwijderd. Dalen hoefde we eigenlijk niet echt, Cusco ligt op ongeveer 3.323 meter hoogte. Vandaar. Luttele minuten later was ik voor even opgelucht toen ik Pacha Mama (moeder aarde) weer onder onze voeten hadden. Maar dat opgeluchte gevoel verdween al in minder dan een uur. Ik merkte al zeulend met mijn tas, dat ik sneller moe was dan ik dacht, en dat had niet te maken met de acht kilo die ik op mijn rug droeg, want normaal neem ik ongeveer zes keer zoveel mee op reis. En vlakbij ons hostel In Cusco en eenmaal op het station, voelde me opeens zo High, dat het er op leek of ik engelen ging zien. En die zag ik ook.

Ángel, de sportieve Peruaanse medewerker van het Flying Dog hostel in Calle Choquechaka (spreek uit: Tjokketjakka), hielp ons aan informatie, bustours in Cusco, begeleidde ons naar het station voor treinkaartjes naar Machu Picchu, de Inca Express, en een toeristenkaart om alle monumenten te kunnen bezoeken, en een sleutel van het hostel, en alles wat ik nog meer vergeten ben. Hij was er eigenlijk altijd, bracht ons ’s ochtends naar de bus, wachtte ons soms op, en deed zelfs de ansichtkaart van Sandra op de post. ‘Yo soy vuestro Ángel’ (ik ben jullie Engel), zei hij breed glimlachend toen Sandra hem iets vroeg over de stad. Ik ging hem al bijna geloven zo. Bijna, zeg ik er bij.

Van de drie dagen die we hadden in de voormalige Inca hoofdstad, waren we twee dagen lang weer onderweg. De dag dat we aankwamen, waren we om tien uur eindelijk ondergedoken ons pittoresk peruaans hostelletje, en wel in de dikke donzen dekens want ik verging inmiddels van de koppijn. We deden wat de cusceños ons hadden opgedragen; namelijk slapen, want op deze hoogte moet je het lichaam de tijd geven om zich aan te kunnen passen, zeker als je uit landen van beneden zeeniveau komt. Wat dus bij Tien en mij het geval is. Daar zijn wij Nederlanders ook gewoon niet op gebouwd. Bovendien moesten we de dezelfde dag nog op pad naar allerlei cultureel erfgoed, dus die siësta konden we wel gebruiken. We gingen vóór de stadtour van 13 h, nog snel even lunchen in een café dat meteen favoriet was, en vervolgens stond onze Ángel al voor het hostel te wuiven dat we op moesten schieten, rennen deden we niet want dat konden we gewoon niet, maar toch zaten we tegen half twee in de bus.

De eerste stop was de Qorikancha, dat in Inca tijden de ‘Gouden Tuin’ moest zijn geweest. Een belangrijk deel van Cusco, de stad in de vorm van een poema. De Qorikancha was ooit bedekt met gouden platen, en tempels gewijd aan de zon, maan, de aarde de sterren etc. Tegenwoordig is het een museum waarin je veel over de Inca’s te weten komt, en nog monumenten en resten van de stadsmuren kan zien. Toen we het gebouw uitkwamen werden we meteen gestrikt door een paar verdwaalde Inca families in traditionele kleding, compleet met lama’s en schapen, dus daar hebben we maar even een foto van gemaakt. En ach, niet voor niks ging die spreekwoordelijke zon op, en dat lieten ze ook duidelijk weten. De bus reed verder, naar de Saqsayhuamán, heilige fort, of de hals en hoofd van de poema door het zigzagmotief in het 80 ton wegende gesteente, dat een strategisch doel had. Zo was het voor de vijand onmogelijk om de stad aan te vallen. Wat er verder nog gezegd werd is me helaas ontgaan, door mijn bonzende hoofd, want we waren stiekem toch nog 200 meter gestegen. Ik had er al een halve zak cocablaadjes in mijn wangen verscholen zitten, maar deze keer kon het effect van de coca niet op, tegen de hoogte. Ik staarde naar de lichtblauwe hemel en ging vervolgens maar plat op de grond liggen, dat scheelde dan weer zo’n anderhalve meter. Ik hoopte dat we bij het volgende station iets zouden afdalen, maar niks was minder waar. Het landschap was werkelijk adembenemend. Zenuwachtig kauwde ik nog meer cocablaadjes, ik dacht dat mijn hoofd zou gaan ontploffen. In Q’enko, Tambomachay en Puka Pukara liepen we een rondje, luisterden we naar onze gids en schoten we een paar foto’s, en toen het al weer donker begon te worden en de bus weer langzaam begon af te dalen, zagen we de verlichte poema in het dal liggen. En dat is werkelijk een prachtig gezicht. Toen we thuis kwamen, was ik kapot, en mijn hoofd was ondragelijk geworden. Ik kon mijn ogen niet open, noch dicht doen, niet naar links noch naar rechts en niet naar boven noch naar onder. Niet niks meer. Ik ben op het heilige tijdstip van vijf uur p.m gaan slapen. Dat was het beste. Ware het niet dat ik de volgende dag dan wél om vijf uur uit mijzelf wakker werd. Dat kwam goed uit, want we moesten om zeven uur die ochtend de trein hebben naar Aguas Calientes. Bestemming..? De Machu Picchu natuurlijk!


miércoles, 29 de abril de 2009

And everybody goes surfin'..!

De oceaan die de vorige avond vanaf het park nog zo bedriegend kalmpjes had geleken, veranderde de volgende dag in een kolkende massa met een ongekende kracht. Als Nederlandse zou ik moeten weten wat de kracht van water is, maar tegen de pacific kon ik niet op. Hoezo pacific..? Toen ik met mijn rode surfplankje compleet in cat of wetsuit, hoe je het ook graag ziet, en surfleraar het water in ging, had ik er toch eerst een ander idee van. Het rotsenstrandje van Lima Beach, is ook lang zo romantisch niet als het strand in Aveiro en de venijnige steentjes sneden in de zolen van mijn voeten.. De eerste twee golven waren ook niet zo heel leuk. Ik was mijn surfleraar kwijt in de oceaan, en Tien, Sandra en Johannes waren al helemaal nergens meer te bekennen. Stel het even voor; Ik, gillend, plat op mijn plank richting playa.. Golf drie ging ik overigens wel lachend, maar de surfers die zich op mijn pad bevonden maakte ik toch maar duidelijk dat ze maar beter uit de weg konden gaan. Waar zo’n lach al niet goed voor is. Bij de vierde deed een poging tot staan, en ik stond, maar opeens was mijn plank onder me verdwenen. Mijn armen besloten ook al niet meer verder te roeien en ik maakte de surfboy duidelijk dat ik naar het strand wou.. En dat ging nog sneller dan ik dacht. De eerste golf, of vijfde dan, die zich aankondigde nam ik, zo gezegd zo gedaan. Toen ik nog maar 50 meter van het strand verwijderd was gebeurde het. Toen ik me omdraaide zag ik een enorme schuimkop op me afkomen. De surfers aan mijn linkerzijde schreeuwden ‘buceeeeeooooo’ in mijn richting in het Spaans, en gelukkig begreep ik het snel..ik heb ook nooit spijt van die studie gehad. Het kan zelfs je leven redden, dus ;). De golf naderde en hield mijn adem in, boog mijn hoofd en de klampte de rode plank strak tegen me aan, en dook er midden in. Ik brak daarmee de golf, en das beter als andersom. Verder weet ik niet hoe ik nou weer boven kwam maar ik ben alleen maar mijn oorbel verloren. Mijn voeten zagen er weer gehavend uit en door mijn pijnlijke armen van het roeien kon ik die catsuit niet eens in mijn eentje uitkrijgen. Om over mijn kapsel nadien, nog maar te zwijgen. En serieus, ondanks alles, ik vond het fantaaastisch. Het gevoel is onbeschrijfelijk leuk..! Na het surfavontuur aten we ook nog eens guacamole van Peruaanse palta’s, tortilla's en wijn, zaten we met z'n zevenen in een vierpersoons taxi, en sleten we de rest van la Noche Latina dansend in ‘la Tayta’..! y ya está..

Miraflores, Pachacamác y la película peruana..

Wat normaal een saaie zondag had kunnen zijn was nou eens alles behalve dat. Tineke had een stadstour door Lima voor de ambassade georganiseerd, en ik mocht ook mee. Om half tien ’s ochtends reden we met de Mirabus de brug over richting het centrum van de stad. Kwamen we langs musea en de belangrijke gebouwen, wijken en stranden van Lima. Terwijl we reden dacht ik aan de stadtour die we een jaar geleden met zijn drieën door Guadalajara hadden gemaakt en terwijl we elkaar aankeken wisten we allebei wat we dan toch wel misten; Lau, en een fles. Maar toch, ook zonder flessen, dus daar kan het niet aan gelegen hebben, herinner ik me toch het meeste al niet meer. Behalve het Convento de San Francisco in het hart van de Peruaanse hoofdstad. Het was prachtig, en ik moest ook hier weer denken aan iets dat ik al eerder had gezien, dat was in Portugal geweest. Waarom vergelijk ik toch altijd alles? Tijd om er verder over na te denken had ik niet, want de groep liep inmiddels al naar de catacomben van het Convento, waar botten en schedels uit de koloniale tijd netjes gesorteerd lagen. Het was interessant, dat zeker maar toch had ik geen zin om lang te blijven. Simpelweg om de reden dan de gids een anekdote over een aardbeving begon terwijl hij in de catacombe aan het werk was, en als je je dan toch onder de grond in een doolhof bevind, is dat natuurlijk het laatste wat je horen wil. Gelukkig was de rest het er ook mee eens, en de weg naar de uitgang was dan ook zo gevonden. Een kwartier later zaten we weer in de zon op het pleintje te wachten op de Mirabus.

De rest van de dagen bracht ik door op het dak van Casa Roja of slenterend door Miraflores, langs artesanías en schoenwinkel ‘Vilma’, de Ripleys. Lezend op een bankje in Parque Kennedy, luisterend naar de jonge panfluitspeler op straat of zeulend met ons wasgoed naar de Laundry Service, en terug. Lunchen voor zeven soles (á 1.75) met Tien in de stad, en cultfilms kijken in de bioscoop van Miraflores. Het was ‘la Teta asustada’, over de roerige geschiedenis van Peru, de vrouw, het terrorisme en alle andere miserie. Maar ook ben ik per bus naar Pachacamác gegaan, een archeologische vindplek van de Inca’s, waar ik ben overladen door nog meer historie, mythes en legenden en zand, zee en iets teveel zon.

Bohemian' Barranco..

En dan, El Barranco, de art- wijk van Lima. Dat is vooral kerkjes en verlichte kapelletjes, beelden, muzikanten en allerlei jaren ’60 electricos vullen het pleintje. De restaurantjes zitten gezellig vol, en er klinkt muziek op straat. Een affiche op straat vertelt je het ware verhaal van de Barrio Latino, net zoals de muurschilderingen die je door de hele Barranco verspreid ziet. En dan heb je nog la Puente de los Suspiros, de brug der zuchten.. Een houten brug, waar je overheen mag lopen, met ingehouden adem weliswaar, want dan mag je een wens doen. En daar hou ik van, net zoals het bronzen paso- paardenbeeld dat op het plein stond opgesteld. Een plek vol geheimen, verliefden, oorbellen en goede cocktails. En ach, zo werd het nog sneller vrijdag in Lima dan ik dacht. Want zaterdag 4 april, betekent: Roadtrippin’ …!

En dat..wordt natuurlijk vervolgd..

Lima

Lima is een stad met pech. Veroverd door Pizarro in 1572 en vertrapt door de terrorisme van de Sendero Luminoso, de maoistische guerillabeweging van het land. Het is er verstikkend, chaotisch en gevaarlijk. Honderden taxibusjes en auto’s kruisen toeterend ons pad. En er staan mensen, die midden op straat kauwgom verkopen, of je wordt opgehouden door voertuigen die dwars over de weg staan. Het heeft iets triests. Terwijl Tineke over haar Peruaanse avonturen vertelde, keek ik ondertussen mijn ogen uit. De verlichte reclame langs de kant van de Pan Americana, de felgele borden, ‘Inka Kola’, schreeuwen naar je, net zoals de enorme Las Vegas- achtige gokhallen, ‘Tragamonedas’ zijn onvermijdelijk. Aan de andere kant zag ik huizen zonder ramen, noch daken, en de smoezelige straatkinderen onder een knipperende kermis van de casino's die afsteken tegen de schemering van de vroege avond..
Ay, Lima.

Het volgende moment doemde de oceaan op, die kalmpjes zijn golven tegen de klif gooide. Starend naar het tafereel, en Tiens verhalen, droomde ik langzaam weg maar werd spoedig weer ontwaakt door een toeterende combi, of zo’n oude Amerikaanse schoolbus. Een nog onbekende cumbia klinkt uit de krakerige radio. De deuren van de taxi zijn vergrendeld, en onze tassen liggen onzichtbaar op de grond. Ik glimlach even om waar ik me nou weer bevind, en laat het allemaal niets vermoedend over me heen komen. Het leven is raar, als recent drieëntwintig, twee nachten niet geslapen hebt, en ook nog eens een halve dag teruggaat in de tijd. Gelukkig is Tien, die terwijl alles is veranderd, nog steeds hetzelfde gebleven. Ook hier.. in Lima.

Casa Roja, het gasthuis waar Tineke verblijft is groot en opvallend. Een beetje Cubaanse stijl, koloniaal, prachtig weliswaar. Ik zou er de hele dag wel op de bank kunnen zitten, samen met de wit ijzeren art nouveau leuning van de entre sol, kijken naar de mangobomen uit het grote open raam. Er wonen meestal dertien mensen, en is in bezit van een Hare Krisna familie. De mensen in het huis noemen het dan maar Eeitch Keej (HK), om maar niet telkens over de familie gebruiken te hoeven spreken.. Het huis namelijk voorzien van vele boeken en ze leven volgens een strikt regime. Ik weet niet precies wat het allemaal inhoudt, maar volgens Tineke staan ze iedere dag op zes uur op, drinken ze geen koffie en alcohol, geen vlees etc. Toen ik een kind in een soort van superman pak, door het huis zag lopen, voegde zijn HK moeder eraan toe dat het waarschijnlijk niet is wat het lijkt. En OMG.. haha. Het was namelijk niet de gewone, maar de vegetarische superman. En die bestaat echt mensen, in Lima.

Tineke vertrok vrijdagochtend rond achten naar haar werk, en om jetlag redenen werd ik om twee uur in de middag pas wakker. Tien was gelukkig tegen drieën alweer terug en zijn we naar een bezoek aan de lokale supermarkt ‘Wong’, dat op vijf minuten lopen van La Casa ligt, het centrum van Miraflores ingegaan. En ach, de naam zegt het al want de fleurige bloemperkjes springen het eerste in het oog. Miraflores wordt goed bijgehouden, en het is er schoon én veilig. Een van de rijkere wijken, van Lima.

We zijn op onze slippers de hele Avenida de Benavides afgeslenterd, naast van de tientallen toeterende micro’s die voorbij komen schieten.. over de Expresa via Avenida Larco, richting la calle de las Pizzas in het centrum. Vlakbij Parque Kennedy nip ik voorzichtig van de Pisco Sour, het nationale drankje van Peru.. en ik moet zeggen, dat had ik net even nodig om tot slot op precies het moment suprême aan te komen in el parque del Amor, gewoon voor ‘la tristeza agradable’- gevoel. Een Peruaanse zonsondergang omringt door mooie woorden in mozaïek in de muur geplaatst zoals ‘Amor es como luz’... een Gaudi- achtige bank en een nog prachtiger beeld.. ‘El Beso’ van Victor Delfin. En toch.. a pesar de toda esa belleza, me faltaba una cosa.. Gelukkig breekt Tien met mijn afdwalende gedachten, door te zeggen dat ze een plek weet voor iets lekkers. Het werden panpizza’s, met daarna ook ietsje minder Peruaans, de salsabar ‘el Son de Cuba’, met uiteraard Cubaanse Live muziek. Ach ja, na twee echte peruaanse pisco’s moet je niet te snel meer willen integreren, ook niet in...

...Lima




Eve goes Latin America: Peru!

Een waterval kwam naar beneden. Verscholen in de kraag van mijn jas hees ik mijn welbekende roadtriptas en paarse koffer de trap van de gloriantdreef naar beneden. Een zomers duo, maar het paste niet op één of andere manier. Het was koud, de regen sloeg genadeloos dikke druppels in mijn gezicht en het bleke witte licht van de lantaarns op de grote parkeerplaats voor het gebouw weerspiegelden op het asfalt en de taxi kwam de hoek om. Tien voor vijf ’s ochtends, Dios mio.. Ik verliet mijn huis op weg naar het station om de eerste trein naar Eindhoven te nemen. Vanaf hier ging het snel. Behalve dan op de luchthaven, het welbekende bagageverhaal. Hoe dan ook, ik neem altijd net iets te veel mee. Gelukkig mag ik altijd doorlopen, maar toen de baliemedewerker me duidelijk maakte dat de laptop toch echt in de rode tas moest passen, brak me het zweet uit. Het ding barstte zonder dit object nog net niet uit zijn voegen. Met mijn beste neplach, ritste ik de tas open en deed alsof ik de laptop er zonder problemen in kreeg. Na tien minuten wrikken, deelde de medewerker me dan maar mee, dat de tas dan maar niet dicht hoeft te kunnen. Een zucht van verlichting, want al had ik het met tien man geprobeerd, de tas zou niet dichtgaan, en ach, eigenlijk wilde ik dat niet eens proberen, ik was aan die tas gehecht. Lees de rest van de verhalen en je weet over welke van de honderd tassen ik het heb. Ik draaide me om richting gate, en grijnsde. Het was me weer gelukt. Volgende keer kijk ik écht wel uit, écht...

Noche madrileña I

Om 12.15 landde het toestel op Barajas, Madrid. Na een iets te geïnteresseerde medepassagier uit Panama wist ik me hier toch eindelijk van los te maken, haalde ik mijn spullen op en belde een studiegenoot. Vanwege de aansluiting op de vlucht naar Lima van de volgende ochtend, was ik genoodzaakt eerst via Eindhoven naar Madrid te vliegen. Tirza die voor een paar maanden in de Spaanse hoofdstad woonde bood aan om samen iets gezelligs te gaan doen de tijd die ik er was. Toen ik het nummer intoetste op mijn mobiel om kwart over één, kreeg ik een ietwat verwarde stem aan de lijn. Ze sliep nog, ‘oja’ we zijn in Spanje, dacht ik meteen, maar toch, om twee uur zou ze bij Plaza España staan. Ik nam de metro, en ging de Starbucks binnen op de afgesproken plaats. De reis was begonnen, Viva España, terwijl ik de helft van de kleding uit trok die ik aan had. De bagage dumpte we in het huis bij Nuevos Ministerios, om vervolgens de Gran Vía af te lopen, langs alle Mango’s, Blanco’s en de Stradivarius. Ja, lieverds, ik héb ze gemist. Tot het Park zijn we niet gekomen, want op de Puerta del Sol, zijn we bij een bekend café maar aan de Sangría gegaan, waar we dan ook maar meteen twee uur zijn blijven zitten. Toen de zon al bijna onderging, zijn we ook met Marie- Claire, een huisgenootje maar naar de 100 Montaditos gegaan. Een typische tapasbar, warm, druk en rokerig, maar het maakte me ergens wel gelukkig. Het deed me denken aan Granada. Van de rest van de avond kan ik me overigens weinig herinneren, niet waar we het allemaal over gehad hebben, noch hoe we thuis zijn gekomen. Ach, één nacht overgeslagen plus twee Sangria’s, is ..juist. Dat krijg je ervan. In het huis van Tirza reorganiseerde ik mijn koffer, en propte er vijf kilo van mijn handbagage bij, ja je moet wat over hebben voor een goedkopere vlucht, en tegen 00.15 pakte ik de laatste metro naar Barajas. Om 5.50 zou het vliegtuig vertrekken naar Lima.

Noche madrileña II

Of het nou ochtend of nacht was, ik wist het verschil niet meer, ik had alleen telkens het gevoel dat ik al een week onderweg was. Op Barajas, had ik serieus echt moeite om wakker te blijven wat me kwaad maakte. Met twee koppen koffie slaagde ik er toch in, en las ik drie uur lang het boek ‘Gomorra’, ik heb het al voor de helft uit. Had ik al gezegd dat ik nog een tussenstop had? Enfin, eenmaal ik het KLM toestel, viel ik in een diepe slaap, en werd ik wakker in jawel, Amsterdam. Ik moest haasten, weer twintig douanes en controles, en toen kon ik dan eindelijk het toestel naar Lima betreden. Eigenlijk was ik van plan verder te gaan dutten in mijn stoeltje bij het raam, want na twee nachten vertelden de spiegels van het Schiphol toilet, dat het blijkbaar nodig was. Maar niets was minder waar want één van mijn medepassagiers naast mij was Maria Fernanda, van 2.5 jaar oud. Tja, je kunt niet alles hebben, luidt het gezegde. Verder heb ik trouwens geen kinderen in het hele toestel gespot. En laat de kleine MF nou uiteraard (huilend) in het stoeltje naast mij zitten. Ergens had ik medelijden met de moeder die verontschuldigende gebaren naar mij maakte en tevergeefs pogingen deed om het kind te troosten. Ook eten was een probleem, en af en toe moest ik me verschuilen achter mijn blauwe KLM blanket, om rondvliegende koekjes, en stukken fruit te ontwijken. Gelukkig duurde het gehuil slechts ongeveer 6/12 van de hele vlucht, en na vier films, en een boek, was ik ergens blij dat het Peruaanse meisje naast me zat. Zo had ik tenminste wat te doen, wat met Maria, liep ik enkele rondjes met het kind door vliegtuig.

Een donderdagavond in Lima. Tien, (nee, nog niet die Tien) voor vijf in de middag, Peruaanse tijd. Terwijl de drukke aankomsthal langzaam leegstroomde, bleef ik achter met de tientallen taxi chauffeurs en een Peruaanse professor uit Trujillo die ik leerde kennen tijdens de vlucht, zoekend naar een bos die ik maar niet kon ontdekken tussen de menigte. De man knoopte een gesprek aan, en twintig minuten lang praatten we over Peru, wie we waren en wat we deden. Toen eindelijk zijn Latijns Amerikaanse vrouw haastend op haar hakken op de man kwam afgestoven, bleven ze nog even staan, en boden me zelfs aan ergens af te zetten. Ik bedankte ze vriendelijk, maar besloot toch echt op mijn huisgenootje te wachten, die waarschijnlijk vastzat in het drukke verkeer van de hoofdstad. De vrouw gaf me nog een kaartje met haar nummer in geval van nood; Patricia Fernández, San Isidro. Ze was kapster vertelde het kaartje me. Terwijl ze langzaam uit het zicht verdwenen, werd ik opeens opgeschikt door een arm om me heen, ze moest op mijn blinde vlek hebben gezeten, want ik schrok me rot; hé ‘Evita’..! Daar was ze dan, met precies dezelfde bruine bos krullen die ik me ook had voorgesteld. Mijn roadtrip maatje, huis- en studie- en landgenoot, en tevens lid van ‘la banda’: M.C. van Rijn, alleen zo krijg je der door alle douanes.

jueves, 5 de marzo de 2009

Pero el mundo es pequeño...

Uit de zak van mijn zwarte jas viel een verfomfaaid papiertje. ‘El Serallo’, C/ Esquivila 4 b, Granada. Eigenlijk wilde ik dat het voor eeuwig in die zak bleef zitten, en dat ik het er jaren later pas uit had gehaald of dat ik het nooit meer had gevonden..

De afgelopen dagen ook voor dat ik naar Portugal ging waren euforisch, mijn geluk kon niet op. Ik heb twee negens gehaald, en een zeven, ben op reis samen met mijn maatje, doe ik datgene wat ik het liefste doe, zie ik het gene wat ik het liefste wil zien, en heb mooie plannen, .. wat wil een mens nog meer…? In de trein naar Lisboa passeerde ik gouden zeeën en zilveren bergen, en dan ben ik altijd bang dat het nooit nog mooier kan worden dan het is, op deze momenten. ‘Waarom?’, vraagt hij.. ‘Nou gewoon, omdat je soms gewoon gelukkig bent, en dat er ook tijden gaan komen waarin het minder gaat, daar ben ik bang voor, dat je dat verliest, dat het ten einde komt...’ ‘Maar je moet niet denken aan die dingen’, voor je het weet presenteert er zich weer iets moois.. ‘si’.. en ik keek weer uit het raampje naar buiten. Afscheid nemen kan ik niet, net zoals dingen weggooien, ook dat kan ik slecht. En te vroeg juichen, dat doe ik nooit meer, dat weet ik inmiddels wel. Ay, Calle Esquivila, het was ook weer te mooi geweest om waar te kunnen zijn…

Donderdagavond in Porto, aan de grote tafel in het midden van de kamer, wilde ik het liefst dat ik de mailbox niet had geopend, dat ik niet had gekeken, niet die dag, niet de volgende en ook niet de volgende week. Daar stond het, een mail vol spijt, ik was niet meer nodig, wegens problemen met de familie, ik werd bedankt. In de sfeer van volmaakt geluk, kwam dit als een slag, maar gek genoeg, deed het me niks, het bleef rustig, geen tranen, ni nada, maar toch kon ik er niet van slapen... Het was alsof ik het wist, alsof ik het in die trein naar het zuiden me al voorbereid had. Maar goed, ik zal er niet langer omheen draaien.

Op een heldere dag in Februari, terwijl Marieke en Jaime met Sarah en Suzan boven in de bibliotheek van de faculteit hun tentamen voorbereidden, pakte ik een taxi op Plaza Nueva richting de rivier, het briefje bewaarde ik in mijn zak. Lopen werd me afgeraden omdat het nogal gecompliceerd lag met het huis en de straat. Zij betaalde. Tien minuten later stopte de taxi bij een grote roodgeverfde poort en betaalde ik de vier euro, stapte uit en belde aan. Een hese vrouwenstem gaf me aanwijzingen om binnen te gaan, en naar de volgende poort rechts nog een keer aan te bellen. Vreemd. Maar goed, ik deed het, en een conciërge groette me en deed de deur voor me open. Ik keek een beetje in het rond, zoals Alice in Wonderland. Het was een groot wit en licht huis, met een groen gazon en bomen. Ook het zwembad dat als een grote spiegel leek, bleef niet onopgemerkt. Ik zocht naar iets dat op een voordeur leek, en vond een grote houten massieve deur, met de zoveelste goudkleurige bel. Een blonde vrouw van mijn lengte deed de deur open en groette me vriendelijk. Ik passeerde de latina poetsvrouw en zag de drie kinderen door het huis rennen. Twee jongetjes en een meisje van zeven. Ik presenteerde mezelf en sprak met de vrouw over het baantje als au pair, dat ik op internet had gevonden. Vijftien minuten later drinken we samen koffie in de keuken en de jongens laten me hun speelgoed zien. ‘Ik wil dat Eva blijft’ zegt het meisje met de blonde krullen in een staart. De moeder lachte en sprak het meisje toe, dat ik ná Portugal zal komen, over twaalf daagjes.. Ze gaf me een rondleiding door het huis, liet me mijn kamer zien met de eigen badkamer. Ze gaf me een hand en twee kussen, zegt dat het goed is en vraagt nog of ik wil denken. ‘Ik niet’, zeg ik, ‘ik ook niet’ zegt ze. ‘Nou welkom Eva’, bel me als je terug bent, dan kan je vast een paar avonden komen. Ik knikte, en liep met een brede glimlach de deur uit op zoek naar de uitgang…

En nu, het vakje in de muur van dat wat mijn Refugio Andaluz was, staat voor even nog vol kaarten, briefjes, geld uit vreemde landen, landkaarten, boeken en een verdroogde roos, dingen die ik heb verzameld. Ik vind een kroontje van Halloween, en de jurk achterin de kast die ik met het eighties feest aanhad. Een entrada voor het museum in Madrid, een Portugees metrokaartje met de naam Andante, de oorbellen die ik kreeg van Pepe, een lege zak pipas en een oranje briefje met ‘gracias para la falda’ van Giulia, en de kerstgroet van Marieke.. En ik heb foto’s, het zilveren hart dat ik van Jaime met kerst kreeg, mijn naam in het Arabisch, onze namen op de lichtblauwe muur van Casa Cubana. Een kaartje van het restaurant hier beneden, en een verdwaalde sok van de chino, en het gedicht, en een vijftal boeken van Lorca, acht punten van de Chupitería ’69, een verkreukeld Alhambra kaartje en de vele lege flessen wijn..en nog meer, maar ik zal het bewaren in mijn hoofd, net zoals de typische zondagen van Graná, en de maandagen daarna.

Dit was het dan, Eva en Andalucia, 2008 -2009. De spullen zijn gepakt, de rest is al vertrokken. Het zal nooit meer hetzelfde zijn, en er resten mij leuke en mooie herinneringen, en heel veel foto’s, chemische afdrukken van onze levens in kleur die vertellen dat we gelukkig waren. De flamenco poster met mijn naam liet vandaag vanzelf los, het kan geen toeval zijn. Vanavond nog een rondje Granada, het was één groot feest, en ach, de wereld is maar klein, zegt Youssef altijd. Ik glimlach en weet dat hij gelijk heeft, daar doe ik het dan maar mee. Ik doe de deur achter me dicht, net zoals het roze raam waarover ik droomde, mijn boek is uit. Het is tijd om te gaan…




Granada para siempre,

Abrazo fuerte, Eva

miércoles, 25 de febrero de 2009

De Granada a Madrid, pasando por Porto hacia Lisboa...

12 februari, één uur ’s nachts. Marieke hielp me nog snel met rits van mijn gebloemde bekende roadtrip tas dat ik al tien jaar trouw in mijn bezit heb. Helaas beste lezer, het is iedere keer weer het zelfde bagageverhaal als ik ergens heen ga. Ik moest ook nog eens opschieten, en kreeg de die verdomde rits weer eens niet dicht, en had alweer spijt dat ik weer eens zuinig wou doen om alleen handbagage mee te nemen, en geen koffer, het zijn wel 10 dagen, maar goed. Ik had ook geen zin om met vijfentwintig kilo op pad te gaan. Ik stapte in een taxi voor de deur op Plaza Nueva naar het busstation, en om 1.30 liet ik Granada achter me. Deze keer lukte het me wel te slapen in de bus, het moest vast het glas wijn zijn geweest dat de tijd deed vliegen, ik viel in slaap bij Fuentevaqueros en werd wakker in Madrid. Alles deed me zeer, ik reis gewoonlijk tweede klas, maar toch deed het me deugd. Het wordt een lang verhaal dus pak een fijne stoel, zet een achtergrondmuziekje op en ga met de bussen en vliegtuigen, auto's, treinen, metro's en electricos met Eva door Portugal...

Om half zeven ’s ochtends hees ik mezelf in de metro naar Barajas en kon kiezen uit vier terminals, en gokte het op nummer twee. Ik gokte goed, gelukkig. Om 11.35 nam ik het vliegtuig naar Porto, en had zou om twaalf uur landen. Later had ik door dat de vlucht toch ietsje langer duurde dan twintig minuten, want de tijd gaat terug. Geland. Op de airport van Porto, wachtte João en Cristiana mij op en reden we een rondje door de universiteitsstad van Porto, en lunchen bij restaurantje vlakbij het roze gebouw van de faculteit. Hij zei me dat Cristiana ons naar het station Campanhá zou brengen en direct een trein naar Lisboa zouden pakken. Het zou drie en half uur uur reizen zijn. Om drie uur zaten we in de Alfa naar Lisboa en ik we keken foto’s en een film die we telkens onderbraken om te kijken naar alles wat we passeerden, van bruggen tot blauwbetegelde stationnetjes, duinen en aquaducten...


Het landschap veranderde, de zon draaide, en de zee werd langzaam goud toen we tegen zessen de buitenwijken van Lissabon passeerden. We kruisten na de Douro, de brede Taag, en reden later station Santa Apolónia binnen. Buiten, voor het station wachtten we twintig minuten op de eerste bus naar het huis van een meisje dat Maria heet, daar waar we zouden verblijven, het lichtblauw van Santa Apolónia, stak af tegen de inmiddels donkerblauwe hemel van een avond in Lissabon. Tegen zeven uur, en enkele verkeerd ingeslagen steegjes, waren we dan eindelijk boven in het huis. Een oud traditioneel Portugees huis, houten trappen en gebloemde tegeltjes. Op de vierde verdieping woonde Maria die hij kende uit Aveiro, met nog vier andere Portugese huisgenoten, en één Italiaan, die weliswaar de mooiste kamer bezat. We stationeerden onze spullen in een kamer. En gingen met zijn drieën boodschappen doen voor de cena. We eten kip en rijst en dronken wijn, dat in Portugal stukken goedkoper uitviel dan in Spanje, viel me op. Na het eten had ik moeite om mijn ogen open te houden en vroeg João of ik wou slapen. Ik weigerde en verzocht de Italiaan om koffie voor me te maken want ik moest de hele nacht nog mee. Hij lachte en deed het voor me zonder aarzelen. Rond middernacht liepen we met zeven man omhoog naar de Bairro Alto, een soort pittoresk 16e eeuws uitgaanswijkje van Lisboa, met een bruisend nachtleven, waarbij ik meteen aan Granada moest denken. De ijzeren lantaarn en kunstuitingen op de muren voelde riepen een Bohemien achtig gevoel op en er klonk Fado muziek. We passeerden een oude bar voor een net zo oude zoete wijn een (vinho velho), en speelden tafelvoetbal op dat er ook uitzag alsof het al een aantal eeuwen meeging. Het mocht de pret niet drukken, in tegendeel. Aan dat ene antieke glas wijn had ik overigens wel weer genoeg.



Donderdag de 12e werd zo langzaam maar zeker vrijdag de 13e, en ik vreesde voor wat er komen ging. Twee jaar geleden, op de dag des onheil in Italië, heb ik samen met Laura en Tineke namelijk vier uur op de trein kunnen wachten naar Rome die niet kwam, en op stip en sprong hebben we nog een veel te duur hotel hebben kunnen regelen. Daar zijn dat soort dagen dan voor. En toch, het was één van de beste dagen van 2009 uiteindelijk. Rond één uur ’s nachts, zat ik met drie mannen in de Taxi naar een discotheek van Lissabon, ‘de Lux’. Een van de mooiste discoteken waarbij je in twee gespreide benen binnen moet gaan, zo is de ingang. Prachtige moderne disco, met uitzicht op de Taag. Via een van de mannen, kwam ik gratis als een VIP binnen, met hem in plaats van de achttien euro entree te betalen. De muziek was goed, Moulinex, ik had er al over horen praten en we dansten tot een uur of zes tot dat we er bijna bij neervielen. We zijn weer per taxi naar huis gegaan.


Sexta- feira, 13 de fevereiro;
Lisboa - Cabeça de Cabra (Alentejo)

Lang geslapen hadden we niet. Geen tijd. Tegen één uur ’s middags werden we wakker van de zon die midden de kamer in scheen. Snel douchten en we ontbeten met zijn drieën, een studentikoze improvisatie van de overgebleven kip met pasta en kaas op het balkonnetje in de zon. Meer heb je niet nodig op dat moment. Een uur later lopen we door de stad naar de Baixo Chiado, de old style, en ietwat sjieke art nouveau wijk van Lisboa. Vele gebouwen uit deze wijk zijn destijds vernietigd door een vuurzee in 1988, dat waarschijnlijk begonnen in een restaurant. Maar de wijk is ervan hersteld besef ik, met Hermes en Cartier aan mijn rechterzijde. We passeren de gele en blauwe electricos, de trammetjes die voorbij komen rammelen, en slenteren door straatjes met uitzicht op de Taag. Ik volgde mijn Portugese gidsen. Ik zocht een plaatsje naast de bronzen dichter Fernando Pessoa in de zon, en João maakte een foto. We stopten voor een koffie bij een lounge van een museum en namen even later de ijzeren Santa Justa lift, die er net zo Art Nouveau uitzag als de rest. Het bouwwerk deed me deken aan de Eiffeltoren, en dat was nog niet eens zo’n blonde gedachte want het was blijkbaar ontworpen door een leerling van Eiffel. Via de lift kwamen we in een andere wijk terecht, in Bairro Alto. Lissabon is de stad van de heuvels wordt me verteld. Het ene deel licht hoog, het andere lager, vandaar. We lopen over een boulevard, en stoppen bij een volgende bar, dit keer voor een Portugees biertje, en daarna gingen we terug naar het huis van Maria, om onze tassen op te halen. We zouden het weekend naar het zuiden gaan.

Vijf uur ’s avonds, de zon verloor zijn kracht en we nemen de metro van Baixo Chiado, naar het busstation van Lisboa. We rennen voor kaartjes want we zijn laat, zoals altijd, maar bussen naar het zuiden wachten niet. Ook niet in Lissabon. Ik erachteraan, als laatste weliswaar, met mijn twee tassen en een doos wijn. Het kostte me zeker moeite, maar ik dacht er aan dat ik straks twee uur uit het raam kon kijken. We namen een bus, naar god weet waar, een plaats waar de paus nog niet passeert, zegt Pedro, de lange Portugese jongen met een vriendelijke uitstraling. We noemen hem Sines, omdat iedereen hem zo noemt, naar de stad waar hij vandaan komt. Sommige namen passen gewoon niet bij mensen en andere wel. Het was totaal geen Pedro, maar Sines en daar hielden we het maar op, we waren niet de enige. We laten Lissabon achter ons over de San Francisco II, de Golden Gate van de stad. Ik maakte een foto, want de zon zakte langzaam weg in de brede Taag, die ik telkens met de zee bleef verwarren. João en Sines praatten maar ik zette mijn IPod op en val met de doos naast me in slaap terwijl we naar de Alentejo (onder de Taag) rijden, en zelfs nog verder, naar een plaatsje waar het huis staat: ‘Cabeça de Cabra’. De landkaart in mijn hoofd liet me in de steek, ik had geen idee meer waar we ons bevonden.

Het was vroeg in de avond, en we kwamen aan in Granôla, de bus ging niet verder zei Sines, en zijn moeder wachtte buiten het kleine busstationnetje op ons. Het was al donker geworden inmiddels. We reden en praatten over onze landen, over Lisboa, Spanje en Portugal, en onze plannen. Plots vroeg ik me af waarom ik al een half uur geen licht aan de rechterzijde zag. ‘Omdat daar de zee is’ zegt João. Even ben ik stil. ‘Zee?’ Ik heb twee dagen een andere plaats in mijn hoofd gehad, het lukt me niet voor geest te halen, de plaats die ik in gedachte had stond toch echt ergens anders op de kaart in mijn hoofd, niet aan zee in ieder geval. ‘Dat heb ik toch gezegd’, zei hij, ‘dat het aan zee is’. Ik zeg dat ik het niet wist, ‘tu estás loca, Eva’ zei hij lachend. ‘Ik heb je toch foto’s gestuurd, van dat witte strand tussen de rotsen.. daar waar we vuur hebben gemaakt, en zijn blijven slapen’, ik heb je verteld, Eva, echt waar’… Ik was verbijsterd, en probeerde de weg te volgen, en zei maar niks. Terwijl ik aan mijn linkerkant ronde puntjes van de toren van een raffinaderij opdoemen, hoorde ik al een paar keer het woord ‘Marisol’ voorbij komen tussen de gesprekken door, ik vroeg me af wie het was maar ik durfde niks meer te vragen, in ieder geval niet over zeeën of foto’s noch wie ‘Marisol’ was… ‘Wacht maar tot het morgen licht is, Eva’, zegt João. Het werd langzaam maar zeker nog stiller in de auto, terwijl de oranje lettertjes van de autoradio vertelden dat het 20.47 was. We reden een zandweg op, ik hoorde de wind terwijl we de poorten van het landhuis zich openen, en zag nog net een bordje dat zegt dat het huis ‘Cabrinha de Baixo’ noemde. Ik stapte uit en ademde in. Het was fris, de geur van de zee. Buiten maakte ik kennis met de vader van Pedro die op ons stond te wachten, João reikte hem de doos wijn aan. Het gezicht van de man werd nog vriendelijker. Binnen in het Portugese landhuis was het warm, met een grote open haard, sofa’s, kleedden, kussen en bruine boekenkasten, mijn tassen worden gedragen. Ik hielp nog wat in de keuken, en dronk een glas witte Spumante leeg. Er lag zelfgebakken brood en kazen en noten op een houten plankje. Een tweede stuk brood met kaas, werd me aangereikt, en weigeren durfde ik niet. Tegen tienen, gingen we aan tafel, en de vader van Sines vraagt wat ik van Portugal vond, en hoe Lissabon was geweest, en we dronken een rode wijn uit de streek. João en Pedro noemden de plaatsen op waar we zijn geweest en iedereen knikte overeenstemmend, ik ook maar. De tafel stond vol met kleine bakjes en schaaltjes, twee kristallen glazen en zilveren bestek. We gingen racletten, een tikkeltje Zwitsers maar uiteraard met chorizo en kaas uit huis, en Portugese wijn, en we aten de Ovus Moles die João had meegenomen, een zoet lekkernij gemaakt van gesuikerde eieren uit Aveiro… Als snel voel ik me wat meer op mijn gemak en tegen een uur of twee, zetten João en ik koers naar Mar e Sol, het kleine vakantiehuisje waar we sliepen achter in de tuin, en even was blij dat ik niks heb gevraagd in de auto, maar ze was werkelijk prachtig, met een keukentje en een badkamer, een woongedeelte en een slaapkamer met vier dikke dekens, Mar e Sol...



Sábado, 14 de fevereiro;
Cabeça de Cabra - Porto Covo - Sines

Half twaalf, ik hoorde mijn naam. De zon scheen weer harder dan ik ook maar een beetje had gehoopt. Ik stond op en zette voorzichtig een pas op de stenen voor het huisje, wreef in mijn ogen, en keek om mij heen. Ik dacht even dat ik mij in een schilderij bevond, ik voelde een hand op mijn schouder maar er schoot me even niks te binnen, pas twee minuten later kon ik slechts iedereen een goedemorgen wensen. Stel je voor, een tuin vol amandel en citroen en mandarijn bomen, lavendel, chilipeperplantjes, en een grote Eucalipta in het midden. Alles was al zo goed als in bloei. De olijfbomen aan mijn rechterkant stonden netjes geordend in het heuvelachtige landschap, en voor me lag het huis, met een groentetuin en wat wijnplantages ernaast. Ik nam een douche, en kleedde me aan om te gaan ontbijten in het witte landhuis waarvan de houten deur al openstond, en me uitnodigde om binnen te gaan. Ik passeerde de waslijn om de handdoek in de zon te hangen en terwijl ik de koffie mee naar de tafel wou nemen, wierp ik een blik uit het keukenraampje, en ik zag voor het eerst de het strand en de zee voor mij.

Na het ontbijt, rond één uur stapten we in de auto naar Porto Covo, een dorpje aan zee waar we Choqo Frito gingen eten. Een soort inktvis in een jasje, geen rubber maar zacht, met rijst en bonen en een glas wijn.. We liepen wat door het stadje waar het opvallend rustig was en na een half uur verlieten we het plaatsje voor een bezoek aan de stad Sines. Daar waar Vasco da Gama ooit vertrok. Er was verder niet veel te zien, op de zee, kasteelmuren, pleintje, en een ‘calzada portuguesa’ met de naam van de ontdekkingsreiziger in zwarte stenen gelegd, en een standbeeld van deze. Ik stationeerde me voor het bronzen beeld naast een canon, en keek uit over de zee die rustig was die dag, en probeerde me het gevoel voor te stellen. Even later, verlieten we het stadje en reden verder de kust af. En terwijl we in de jeep naar beneden reden over ruige zandwegen en asfalt, doemde opeens een eiland op, ‘La pesseguiera’ (perzik eiland), en stopten we bij een strandpaviljoen. Met zijn drieën keken we tien minuten lang voor ons op een houten bankje naar de zee. Ik zag stelletjes voor bij lopen, en besefte evens dat ik deze Valentijnsdag niet met één man, maar met twee doorbracht. Ik moest vast de enige zijn.. We beslisten we wat we die avond gingen eten. Ik mocht kiezen. João wist het antwoord natuurlijk allang.

De bacalhau lag in een bakje water te ontdooien, en we begonnen met het maken van het toetje, ‘Dulce de Leche’, hij zei dat hij het toetje het minst leuk vond om te maken, dus ik deed de rest maar, terwijl Pedro de eiwitten klopte, en een poging deed om de amandelen van de boom in stukken de hakken in de keukenmachine. Zijn moeder hielp ook mee, en schonk wederom vier glazen champagne in. Terwijl we praatten, viel de avond en plots verliet João de keuken en duwde me voor hem uit.. ‘Kijk dan, Eva’ zei hij. De lucht was rood en de zon was een laaghangende vuurbal, ... Ik klom bovenop de molensteen- tafel in de tuin, en keek het tafereel langzaam af, totdat de zon verdronk. De kazen, de bacalhau, en ook het toetje waren weer fantastisch, evenals de wijnen, dat het onderwerp van de avond werd. De man vroeg wat ik van de Portugese wijnen vond, en João zei dat we in Granada altijd Porto Cruz dronken, het enige merk wat er te koop was in de Mercadona. Het was helemaal niet slecht, overigens. Hij vroeg wat ik prefereerde, en ik gokte Ruby, Rood (want de rest had ik nog nooit gedronken) ‘Zoet of Droog’, ‘Droog’ zei ik. De man verdween voor even, en kwam terug met bestofte fles met een vergeeld etiket, een Fonseca uit 1994. Voor jou, zei hij. Je hebt een week de tijd om hem op te drinken. Ik was weer sprakeloos, en keek naar João en Pedro die naar me glimlachten, ik bedankte de man uitbundig, en genoot van de laatste avond in de Alentejo, want morgen zouden we terug naar Lissabon reizen. Die avond gingen we nog even naar Sines, en dronk ik een Caipirinha voor de afwisseling, in de lokale bar. Het was er vol studenten die de weekenden doorbrachten bij hun ouders in de stad, die nog niet eens over een universiteit beschikte. En mensen die Pedro en João nog kenden van een feest dat er ooit in de zomer was geweest. Zo ook Camilo, een surfleraar die een piso had in de stad, waar we nog wat gingen drinken. Zo rond vieren waren we weer terug in Cabeça de Cabra.


Domingo, 15 de Fevereiro:
Cabeça de Cabra - Lisboa

De volgende dag, keek ik nog even goed om me heen voordat we uit Cabeça de Cabra wegreden, per auto naar een station, waarvan ik de naam niet meer weet, om de trein te pakken richting Lisboa. Sines zou verder gaan naar Aveiro, hij moest immers maandag weer gewoon beginnen, ik geloof dat hij informatica studeert. We kochten kaartjes in de trein, en na drie uur stapten we uit in Santa Apolónia, terug in Lisboa, en namen de metro naar het huis van Maria, wegens problemen met de bus. We gingen boodschappen doen en kookten samen pasta voor het huis, het was zondag en Lissabon leek wel uitgestorven, we liepen wat door het standsdeel maar gingen niet al te ver en met de Italiaanse huisgenoot van Maria keken we een voetbalwedstrijd in de bar tegenover het huis, en dronken een biertje. Benfica verloor die avond. Uitgaan deden we niet, want de volgende dag moesten we vroeg opstaan om de stad te gaan bekijken. We praatten nog wat, keken een film en gingen vroeg slapen.

Segunda -feira, 16 de Fevereiro;
Paseo por Lisboa - Aveiro

Tien uur stonden we paraat. De hele dag lopen, maar dat kan ik goed, dus daar maakte me mij geen zorgen over. We namen een gele electrico naar de wijk Alfama, de historische ziel van Lissabon, gesticht door de Romeinen en Visigothen met een Moorse naam. Het is de wijk van de Fado en van de middeleeuwse taferelen, van de kastelen en de kerken en van de Miradouro, het uitzichtpunt over de Taag. Bovenin bevind zich het Castelo de Sao Jorge. Veroverd door de eerste koning Henrique van Portugal, in 1147. Zelfs de kanonnen zijn nog intact, we hebben ons er mee vermaakt. We liepen nog wat door het centrum van de stad, en namen bus 28 naar door naar de wijk Belém, de wijk van de Portugese ontdekkingsreizigers. De zon scheen fel en we liepen langs de UNESCO Torre de Belém, naar het Monumento de descubrimentos. Het monument van Prins Henrique, de navigator van de eerste expedities ter verovering van Ceuta in Marokko, en Bartholomeus Dias, Ferdinand Magelhaes, en Vasco da Gama en Christopher Columbus die hier ook ooit is gestopt. De 25 april brug, over de Taag ontging ons ook niet. We lunchten samen in een Churrasquería in Belém, en als toetje aten we de beroemde Portugese custard taartjes in een traditionele Pastelería; los famosos pasteles de Belém.

Tegen vieren nemen we de bus naar het centrum waar een oude man me nog een geschiedenis les gaf, hij sprak wel vijf talen, met mij sprak hij Spaans. João lachte en viel overeenstemmend bij. ‘Heb ik je toch verteld dat de Filippijnen eerst Portugees was’ zei hij. ‘Sí claro’, zeg ik. Vijf uur, we namen de Alfa naar Aveiro, 24 euro, maar dan ben je er wel zo. Half acht wachtte de vader van João ons op in Aveiro. ’s Avonds aten we konijn, met de familie, en zijn zus en vriend. En ik bood iedereen maar een glas van de Fonseca aan. In een week haalde ik dat nooit namelijk. Later gingen we nog wat drinken met Nando, Lino en Rita, vrienden, die ik al ooit in Granada had ontmoet met Oud en Nieuw.


Terça - feira, 17 de fevereiro;
Aveiro - Porto


De volgende dag, hadden we wederom een stevig ontbijt, de beste Hamburgers van de stad, samen met Sines die we weer ontmoeten en een andere jongen. Ramonas was een typisch studenten café, waar veel jonge mensen gingen lunchen. Het viel zwaar, en we gingen naar Costa Nova voor een koffie, het strand waar hij altijd surfde. Terwijl de jongens praatten, liep ik wat over het strand en vond een mooi wit schelpje, dat ik in mijn zak bewaarde ter herinnering. João zei dat de golven vandaag slecht waren, niks om op te surfen, ze braken te snel. Maar dat maakte me niet uit natuurlijk. We namen afscheid van de jongens en we reden met de auto naar het centrum van de stad waar hij me zijn stad liet zien. Het was, een gezellig geheel, een vissersdorpje, met een soort van gondels in het kanaal, ergens zag ik wel wat overeenkomsten met Nederland, vooral in de gevels van de gekleurde huisjes aan het kanaal. Hij zei, dat Aveiro ook wel het Venetië van Portugal werd genoemd. De huisjes waren bekleed met gekleurde tegeltjes, traditioneel, en de straat, was ingelegd met taferelen die met de zee te maken hadden. We stopten even bij een huis met een enorm ‘Brazón’ een soort familie symbool, dat betekent dat er een rijke familie moest hebben gewoond. Hij vertelde dat het een droom was om ooit zo’n huis te bezitten. Ik knikte. We reden door naar de Salineras, de zoutvelden, die tegenwoordig verlaten zijn, het levert niets meer op, en hij vertelde over hoe dat in zijn werking moest zijn gegaan. Ik luisterde. Het was al tegen achten, we aten thuis, die avond zouden we met de trein van 23 h terug naar Porto gaan.


Aveiro -Porto Campanhá. Rond middernacht wachtte Claudia op ons in de rode mini om ons mee te nemen naar haar huis waar we die nacht zouden slapen. We dronken thee met koekjes, en we praatten nog wat aan de tafel in het mooie huis. Maar omdat we moe waren, keken we nog een film de volgende dag zouden we de stad gaan verkennen. Die avond kreeg ik nog een mail die ik liever niet wilde dat ik het had gelezen en ik heb in tranen de halve koektrommel maar opgegeten. Ik kom er wel uit, dacht ik, plannen genoeg.

Quarta - feira, 18 de fevereiro;
Porto - Gaia

Tegen twaalf uur pas stonden we op. Ik had de halve nacht niet geslapen, en na een ontbijtje in de keuken van Claudia, gingen we naar de faculteit, waar we wachtten op Cristiana die om twee uur les had. We zouden in de stad, ook nog de club van Lissabon ontmoeten wat die hadden om acht uur een vlucht naar Barcelona, waar ze het weekend zouden verblijven, we gingen Francesinhas eten vlakbij Campanha. Een enorme sandwich uit Porto, met verschillende soorten vlees en kaas, en saus. Ook hiervan is de geschiedenis bekend, en het heeft te maken met de Franse emigranten die van resten geroosterd brood, kaas en vlees of vis een stevig gerecht wisten te maken. De saus is het geheim. Je kunt er de hele dag op vooruit. Ik koos er een met vis, dat lag niet al te zwaar. We namen afscheid van de club en wensten ze veel plezier.

Vier uur. We namen de metro naar Gaia. De andere kant van de rivier, en liepen de brug naar beneden tot de Douro, om een wijn kelders te bezoeken. We haasten ons naar benee want we hadden geen idee hoe laat ze zouden sluiten. Uit het enorme aanbod aan merken kozen we voor Sandeman, een merk met een soort grote batman als logo. Eenmaal tussen de vaten, werden we rondgeleid en alles werd uitgelegd in het Portugees over de tawny en de ruby, de houten vloeren en vaten, het productie proces, de wijnbouw en tot slot een proeverij, het beste deel natuurlijk. ‘Als je het niet snapt vraag het maar aan mij’, fluisterde João, maar de vrouw praatte duidelijk genoeg. Toen we de kelders uit kwamen, moesten we nog naar boven, mijn benen waren zwaar en de zon ging al bijna onder. Hij wilde me per se het uitzicht over de stad laten zien. Ik liep de weg, iets langzamer, maar het waarde de moeite. De stad van de zes bruggen was op zijn mooist op dit moment. We daalden af, en hoorde een oude man ondragelijk huilen. ‘Ik kan dat soort dingen niet aanhoren’ zei ik, ‘ik ook niet’ zei hij. We liepen verder, en het gehuil werd langzaam overstemd door de trein, die beneden over de ijzeren brug denderde. Zeven uur, en we haasten ons naar de faculteit waar Cristiana ons opwachtte, om onze spullen op te halen bij het huis van Claudia. We gingen nog even koffie drinken met zijn vieren aan het strand en João ging terug naar Aveiro. Ik bleef bij Cristiana, want ik zou Porto in één dag niet halen. We namen vluchtig afscheid, en Cris en ik zetten koers richting Rio Tinto, het stadsdeel waar ze woont. En waar we gegrild vlees met salade aten, en aardbeien... Die nacht gingen we nog even shoppen in een winkelcentrum dat tot middernacht open was en later wisselden we onze avonturen uit in een cocktailbar, met Sandra een vriendin die net uit Brazil kwam, en tegen vieren gingen we lachend te voet door de Mc Drive.

Quinta - feira, 19 de Fevereiro;
Paseo por Porto

We sliepen tot de wekker ging, en Cristiana en ik bleven slechts anderhalf uur liggen voordat we opstonden. De matras was te goed. Douchen, aankleden kostte ook nog een uur, dit keer wel gelukkig, want met een jongen is dat toch altijd anders, ook al douchte ik meestal al eerst ;). We stapten in de auto richting Bom Fim, waar de moeder van Cristiana een lunchzaakje had, en we de auto probleemloos konden parkeren, om zo te voet het centrum van Porto te verkennen. We liepen de gehele route, met een gids uit de stad zelf, beter kon ik het weer niet treffen. Via de winkelstraat Santa Catarina, liepen we naar Sao Bento, het oude station waar het hele ontdekkingsverhaal in blauwe tegeltjes op de muur stond, langs de beurs van Porto, de Mercado, de fameuze boekwinkel Lelo, de kathedraal, en nog meer. We lunchen beneden in de Ribeira onder de ijzeren brug, ontworpen door Gustave Eiffel. Eén van de zes bruggen van de stad. We liepen nog meer bezienswaardigheden af en wat traditionele winkels, en gingen we lekker sjiek koffie drinken in de Majestic. De foto’s zullen genoeg vertellen. Tegen negenen reden we richting huis. We aten gegrilde Dorade en daarna reden we nog even de stad door. De volgende dag zou ik naar het landhuis gaan in de Portugese Siërra van de familie, na het bezoeken van het strand in Matosinhos, dat had ik nog niet gezien.


Sexta - feira, 20 de fevereiro;
Porto - Matosinhos - Braga

Vrijdag de 20e was het qua opstaan ongeveer hetzelfde verhaal, het is ook nooit mijn sterkste kant geweest. Cris en reden tegen tweeën langs de broodjeszaak naar het strand van Matosinhos, waar we een rondje maakten, een eigen versie op Chiki Chiki zongen en daarna richting de groene long van de stad; het stadpark van Porto, waar we lunchten en onze plannen bespraken. Plots belde João, dat de verwarming kapot was in het landhuis in de Siërra, hij was er geweest met zijn vader en vertelde dat het er veel te koud is om te blijven slapen. Ik had twee keuzes, en daar houd ik eigenlijk niet zo van, want daar ben ik slecht in. Of ik kon terug naar Aveiro gaan vanavond, of nog een dagje in Porto blijven. Uiteindelijk werd het geen van beide, want Cristiana kwam met een briljant plan, en belde Sandra of we die avond nog in Braga konden blijven slapen. Zo gezegd zo gedaan. Tegen vier uur zaten we in de trein Rio Tinto - Braga, en vijf uur werden we opgehaald door dezelfde Sandra, uit Braga. We liepen wat door de stad, en reden we richting de boerderij van haar ouders, dat op twintig minuten rijden lag. Het boerderijtje lag er vreedzaam bij, en volgens het leek alsof ze in de negentiende eeuw waren blijven steken. Naar de supermarkt hoefden ze vast nooit, want de groenten en kruiden kwamen uit de tuin, de kiwi’s appels, citroenen uit de boom, de kippen en de konijnen werden thuis geslacht. Puurder kan je het niet krijgen. Na het eten reden we richting stad waar we nog een ijsje gingen eten, en besloten we dat we de volgende dag richting Bom Jesus zouden gaan. Een plaats waar je van al je zonden zou worden verlost, verkondigde Sandra met een knipoog…



Sábado, 21 de Fevereiro:
Braga - Bom Jesus vs. Aveiro


Als ik de titel hier boven zie staan moet ik eigenlijk al lachen als ik terug denk. Bom Jesus en Aveiro, een contradictie in terminis, vandaar de ‘versus’. Deze keer stonden we niet al te laat op, want klokslag één uur konden we een lift krijgen terug naar Porto, bovendien moest Cristiana om drie uur werken, en wilde ik nog naar het strand in Aveiro. We raceten naar het Lourdes van Braga, namen een trein naar boven, liepen wat rond door het rustoord en namen de trappen weer naar beneden. Het was een mooie rustige plek, met een mooi uitzicht had je wel over de stad. Bovendien werden onze zonden voorgoed kwijtgescholden, en dat mag ook wel naar een half jaar Granada, en rond kwart voor één aten we nog snel iets van de boerderij, en stapten we in de auto richting Porto. Cristiana en ik namen afscheid op het station Porto - Campanha. Het was een beetje vreemd, want ik heb geen idee wanneer ik haar weer zal zien. Niks is zeker. Ik nam de trein van drie uur naar Aveiro, en rond vieren zat ik in een bar in het centrum met wat vrienden en familieleden van João, het was stralend weer, maar lachen kon ik niet. Dat werd mij onmogelijk gemaakt door mijn nieuwe drie euro zonnebril die ik helaas niet had getest op een glimlach, want dan ging hij scheef van staan... Ik deed hem maar omhoog dan. We gaan meteen door zei hij, want er is een feestje gaande bij mijn ooms, die ik al eens had ontmoet, toen ze hem op kwamen zoeken in Granada. Het was een groot tuinfeest, er werd gezongen, gedronken en gedanst en er waren veel lekkere dingen en ik werd hartelijk ontvangen en van alle kanten werd me van alles aangereikt door de grote Portugese familie, ik heb zelfs nog een serenade gehad, en een eigen kan wijn uit de kelder. Het moet niet gekker worden dacht ik... We keken een voetbalwedstrijd na het feest in het huis van een van de ooms, en daarna gingen we te voet naar een ander huis in het dorp, waar zijn ouders waren, want autorijden dat zat er echt niet meer in en we moesten wel met hen meerijden wilden we thuis komen. Eenmaal in het huis, kreeg ik weer de hele historie van Portugal te horen, maar ik vond het niet erg, de meesten weten dat ik een persoon ben dat je bij mij gerust alles twee of drie keer kan herhalen, graag zelfs. We deden nog een poging om een film te kijken, maar na tien minuten trok ik het niet meer.. Bom Jesus, Porto, Aveiro, zon, strand, zee en feest, én die kan met wijn, dan houdt het langzaam op…

Domingo, 22 de fevereiro:
Aveiro - Porto - Madrid - Granada

De volgende dag, 8.30 maakte zijn vader ons wakker, ik nam een douche, pakte mijn spullen bij elkaar en we ontbeten nog met de familie beneden. Ik bedankte zijn ouders en rond half tien reden we naar de airport in Porto, en ik wachtte op het vliegtuig naar Madrid. ‘Tot donderdag’ zei ik, en gaf hem mijn boek van Lorca... De tijd ging vooruit, en ik wachtte vier uur lang op Estación del Sur op de eerste bus naar Granada. Natuurlijk was mijn IPod leeg, mijn laptop leeg, en mijn telefoon zonder batterij. Slechts mijn camera functioneerde nog. Ik vroeg mezelf dringend af, hoe ik erbij kwam, om die camera de avond van vertrek op te laden, en de rest niet. Da's me werkelijk een raadsel, de blauw geruite kan misschien? Maar gelukkig, op het Estación del Sur vond ik gelukkig een stekkendoos achter een paar stoelen, en plugde alles vast, ik leek wel een communicatie centrum. Maar goed. Ik had immers vier lange uren de tijd. Ik belde Marieke dat ik helaas niet naar het afscheidsetentje kon komen, vanwege de vertraging, en om 18.30 zat ik in de bus Madrid - Granada. Nog eens vijf uur, maar wel mét muziek. Eenmaal thuis in Granada, nam ik een taxi naar Realejo en we verdwenen in een bar met Calle Salamanca, Reyes Católicos en het huis bij de kathedraal, om de laatste avond van Marieke te vieren. 4.25 werd ik herenigd met mijn bed, boven de Castellana, waar ik enkel nog tot 5 maart zal blijven. Aftellen, doe ik maar niet…



Ik bedank iedereen, heel Portugal, het was een (allememaggisch) mooie reis…

Eva

miércoles, 11 de febrero de 2009

Camino...

...Cien jinetes enlutados, ¿dónde irán, por el cielo yacente del naranjal? Ni a Córdoba ni a Sevilla llegarán. Ni a Granada la que suspira por el mar. Esos caballos soñolientos los llevarán, al laberinto de las cruces donde tiembla el cantar. Con siete ayes clavados, ¿dónde irán, los cien jinetes andaluces del naranjal? ...

Aan de ene kant was het oorlog, aan de andere kant was er een gelukkig gevoel ; Of Felicidad, dat klinkt beter. Er staat ook geschreven; Amor y Muerte, Deseo y Autodestruccion. Ik bevond me weer eens tussen de boeken in de bibliotheek en de stoffige biebman ordende de boeken zorgvuldig in de schappen. Ik keek naar de manier waarop hij dat deed, en probeerde mij terug te verplaatsen in 1936, maar tevergeefs. Pepe kwam tegenover me zitten met zijn charmante blik, ja, nou kan ik al helemaal niet meer werken. De ietwat bittere reden dat ik voortaan naar de bibliotheek verkast ben, is niet alleen dat ik thuis niet werken kan, doch ook omdat we de gasrekening van november en december hebben binnengekregen. Toen ik de envelop de desbetreffende ochtend in de brievenbus vond, spoedde mij richting Javier omdat ik het niet wou geloven, terwijl deze knikte dat het toch echt wel zo was. Jaime viel nog in met ;maar in Holanda…, waarop Javier antwoorde; Tja, in España.. Ik staarde maar naar de grond. ‘Asesinado por el cielo’ was de eerste zin die me binnenviel.

En snelle formule zegt me dat Driehonderdachtenvijftig euro en vijfenveertig eurocent : 2 = Een rib uit je lijf is. = ( dat betekent geen rebajas, noch de nieuwe collectie, opnieuw tijden van vijf truien over elkaar heen, lopend naar school, ook in de regen, twee keer hetzelfde theezakje, twee maanden met dezelfde tas door het leven, geen halve uien weggooien, examenpapier mee naar huis nemen, gratis entree kaartjes op straat verzamelen, en vaak naar het café daar waar Matilde werkt; en als we het nou lekker warm bij zaten in die twee maanden. Nou nee.. kortom; we zitten in een recessie, (en de foto's zijn niet representatief), laat ik nou net met de jaren 30 bezig zijn. Een groter inlevingsvermogen kan een mens zich niet voorstellen. We hebben de verwarming binnen enkele minuten maar uitgezet, en ik ben ik dus verhuisd naar de aangename verwarming van de bibliotheek van Filosofia y Letras. Een welkome afleiding, voor het bovenstaande, want met het uitzicht over Granada vanuit het glazen gebouw op Cartuja, werkte ik last minute door aan de ‘Memoria a García Lorca’, en las ik mijn aantekeningen over de Generatie van ‘27, tot dat de schemering inviel en de banken tegenover me langzaam leegliepen.. maar ik bleef nog héél even, totdat de rode letters op mijn witte beeldscherm vragen wanneer ik naar beneden ga, para un café.. Verder kondigden de afscheidsfeestjes zich ook al weer aan, er is altijd wel een reden voor een feest hier in Granada. Zo heb je niet alleen de welkomsfeestjes, en afscheidsfeestje, nee bijvoorbeeld ook nog pré examenfeestjes, examenbreakfeestjes, en post examenfeestjes, om maar even de examens als voorbeeld te noemen. En zo gaat het vast ook met carnaval vrees ik.

Januari was rustig, qua school was er steeds minder les, en de gebruikelijke taken zoals het arte préhispanico werkstuk, de examens, tapas rondjes en cenas. Er kwam ook nog een portugese familie langs en hebben we ons zoveelste rondje door de stad weer gemaakt. En echt ik kan er geen genoeg van krijgen, alhoewel ik meer portugese geschiedenis te horen heb gekregen dan me lief is want het is een trots volk dat blijkt wel. Van ontdekkingsreizigers tot fado, de introductie is er al. Ja, wij zijn latinos zoals hij dat altijd zegt, ik moet daar altijd om lachen..We spraken af bij ‘daar waar je het mooiste uitzicht over de stad hebt’ Ik liep richting Alhambra en deed een gok, je hebt heel veel mooie punten namelijk. Ik gokte goed; ‘la perla’ (de parel), bij de olijfbomen…

Zaterdagochtend, 7 februari, een onchristelijk tijdstip. Ik ben in de hele época Graná nog niet één keer om acht uur opgestaan, (wel naar bed gegaan denk ik), en dat kost moeite. Ik kleedde me aan voor de straalkachel weliswaar, en liep de weg naar school, om het Lorca examen te maken. Het was een beetje vreemd, echt in Montero - stijl. Een scheefgekopieerd ‘Vuelta de paseo’, en drie vragen eronder gekrabbeld, waar het op neer kwam dat we Mariana Pineda, het betreffende gedicht, en ‘La casa de Bernarda Alba’, een theaterstuk moesten interpreteren. Twee uur later, verliet ik de zaal.

Maandagochtend half negen, nog zoiets onchristelijks. Ik zocht naar Auditorio I, een plekje middenin de zaal die langzaam volstroomde, en naar de Franse meisjes die met mij de lessen Historia de la España Actual volgden. Mijn dictator- achtige leraar kwam stipt op tijd binnen, deelde papier uit, en verkondigde met luide stem: ‘de groep van de ochtend (dat zijn wij, alsof we in het leger zitten), Pak een pen en schrijf op. De vragen moesten we gewoon opschrijven, maar bij de eerste kreeg ik het al Spaans benauwd, toen hij één van de 7893475 wetten van het Franco regime opnoemde tussen 1938 en 1942, en we die werden geacht uit te leggen tot op het detail. Ik had het niet meer, en ik dacht aan zaterdagavond dat ik vroeger naar huis ben gegaan dan de norm (zo rond drieën dus), en dat ik om tien uur op ben gestaan om te leren, de hele godganse zondag. En nu dit, cosas detalles... terwijl ik er verdorie alle aantekeningen heb en bovendien al een jaar lang tesis over heb geschreven.. nou ja, die oorlog ís ook niet leuk. En de rest van de vragen werd ik ook al niet veel vrolijker maar kon ze enigzins beantwoorden. Ook Laura en Amadine voor keken elkaar maar verbouwereerd aan. Dat zoek dat dan altijd, gezichten, kijken wat anderen denken, het stelt me dan gerust dat je niet de enige bent die je schouders maar ophaalt. Maar goed ik heb geschreven totdat de uren om waren,.. en keek nog één keer achterom naar de faculteit, toen ik de vertrouwde weg naar beneden zocht voor de laatste keer. Missie volbracht...



Inmiddels zit ik weer in mijn Refugio Andaluz, gezellig boven de Castellana, en ja, de laatste maand is ingegaan, 5 maart ben ik terug. Ik denk er liever maar niet aan, dus vermaak ik mij maar met muziek, wat foto’s van witte stranden, de kaart, en teken ik een route uit; vannacht ga ik naar Portugal…!

Liefs uit Granada,

Eva