martes, 5 de mayo de 2009

Roadtrippin' to Cusco..

.. en daar zijn we gek op, al moeten we de hele nacht wakker blijven. Wat dus ook zo was. Tien kwam terug van haar ‘Perentino’ of ‘Argentano’ date, wat je ook wil, maar in ieder geval door mij goedgekeurd. Ver na enen weliswaar terwijl ik nog een spaanse cultfilm afkeek op mijn geliefde laptop en ik had mijn roadtriptasje alweer ingepakt op het bed gezet. Deze keer kreunde het niet en de rits ging zonder mokken dicht. Tien’s rugzak stond er wel hoogzwanger bij, maar de backpack van Sandra spande toch wel de kroon… of nou ja, de kroon. De zoom. Om drie uur ’s ochtends stond er weer een taxi klaar voor General Silva nr. 699, en onze tassen werden achterin geladen. Op het laatste moment griste ik nog snel een zak Doritos van tafel die over was gebleven van een verjaardagsfeestje, en reden we even later door Lima- by- night richting het de airport. De taxi reed hard en de weg ernaartoe wat eerder een drukke verkeerschaos was van toeterende bussen en kruisende voertuigen, leek nu meer op een verlaten racecircuit, waarvan deze taxi dierbaar gebruik maakte. Ook de borden boven de vierbaansweg, waren op één of andere manier minder opvallend geworden en de zee was een was veranderd in een donkere vlek. Het wijzertje van de kilometerteller zakte van ongeveer 130 naar de 90 en het glazen gebouw van Lima airport doemde voor ons op.

Twintig minuten later zaten we onderuit gezakt op een bankje voor de controle. Niemand sprak. Ik overhandigde Tien een paar Amerikaanse dollars om vliegbelasting te betalen, ik vroeg waarom, waarop ze geen antwoord gaf. Het zal wel weer een té simpele vraag zijn geweest,.. ‘niet alles is zoals in Europa’, zei ze uiteindelijk. ‘Slaapgebrek’, dacht ik. Ik had geen zin om er verder op in te gaan, en sloot aan in de rij voor de bagagecontrole. Terwijl de twee behendig hun spullen uit en weer inpakte, werd ik plots uit de rij geplukt. De man wees naar een kaart met allerlei plaatjes, en hield mijn mini- deo omhoog. Dit valt onder explosieven, mompelde de meneer, ik knikte, en het flesje werd in een transparante bak gemikt. Tien en Sandra wachten nieuwsgierig buiten de controle op me, en toen we eenmaal in het vliegtuig zaten haalde Tineke opeens een normale grote bus deodorant uit haar tas.. ‘en dit dan zeker niet’. ‘Sja’, ik grinnikte, maar vroeg ook deze keer maar niet verder.‘ Inderdaad, niet alles is zoals in Europa’, bevestigde Sandra lachend.

Terwijl we al enige tijd vlogen over een dik wolkendek, de rest in slaap was gevallen, en ik uit verveling al twintig keer het ‘wat-te-doen-bij-nooduitgangen-in-geval-van-nood- boekje had gelezen, staarde ik maar uit het raampje en zag dat er opeens zwarte punten uit het witte wolkendek staken. We vlogen boven de Andes en de voormalige Inca stad was op nog slechts tien minuten van ons verwijderd. Dalen hoefde we eigenlijk niet echt, Cusco ligt op ongeveer 3.323 meter hoogte. Vandaar. Luttele minuten later was ik voor even opgelucht toen ik Pacha Mama (moeder aarde) weer onder onze voeten hadden. Maar dat opgeluchte gevoel verdween al in minder dan een uur. Ik merkte al zeulend met mijn tas, dat ik sneller moe was dan ik dacht, en dat had niet te maken met de acht kilo die ik op mijn rug droeg, want normaal neem ik ongeveer zes keer zoveel mee op reis. En vlakbij ons hostel In Cusco en eenmaal op het station, voelde me opeens zo High, dat het er op leek of ik engelen ging zien. En die zag ik ook.

Ángel, de sportieve Peruaanse medewerker van het Flying Dog hostel in Calle Choquechaka (spreek uit: Tjokketjakka), hielp ons aan informatie, bustours in Cusco, begeleidde ons naar het station voor treinkaartjes naar Machu Picchu, de Inca Express, en een toeristenkaart om alle monumenten te kunnen bezoeken, en een sleutel van het hostel, en alles wat ik nog meer vergeten ben. Hij was er eigenlijk altijd, bracht ons ’s ochtends naar de bus, wachtte ons soms op, en deed zelfs de ansichtkaart van Sandra op de post. ‘Yo soy vuestro Ángel’ (ik ben jullie Engel), zei hij breed glimlachend toen Sandra hem iets vroeg over de stad. Ik ging hem al bijna geloven zo. Bijna, zeg ik er bij.

Van de drie dagen die we hadden in de voormalige Inca hoofdstad, waren we twee dagen lang weer onderweg. De dag dat we aankwamen, waren we om tien uur eindelijk ondergedoken ons pittoresk peruaans hostelletje, en wel in de dikke donzen dekens want ik verging inmiddels van de koppijn. We deden wat de cusceños ons hadden opgedragen; namelijk slapen, want op deze hoogte moet je het lichaam de tijd geven om zich aan te kunnen passen, zeker als je uit landen van beneden zeeniveau komt. Wat dus bij Tien en mij het geval is. Daar zijn wij Nederlanders ook gewoon niet op gebouwd. Bovendien moesten we de dezelfde dag nog op pad naar allerlei cultureel erfgoed, dus die siësta konden we wel gebruiken. We gingen vóór de stadtour van 13 h, nog snel even lunchen in een café dat meteen favoriet was, en vervolgens stond onze Ángel al voor het hostel te wuiven dat we op moesten schieten, rennen deden we niet want dat konden we gewoon niet, maar toch zaten we tegen half twee in de bus.

De eerste stop was de Qorikancha, dat in Inca tijden de ‘Gouden Tuin’ moest zijn geweest. Een belangrijk deel van Cusco, de stad in de vorm van een poema. De Qorikancha was ooit bedekt met gouden platen, en tempels gewijd aan de zon, maan, de aarde de sterren etc. Tegenwoordig is het een museum waarin je veel over de Inca’s te weten komt, en nog monumenten en resten van de stadsmuren kan zien. Toen we het gebouw uitkwamen werden we meteen gestrikt door een paar verdwaalde Inca families in traditionele kleding, compleet met lama’s en schapen, dus daar hebben we maar even een foto van gemaakt. En ach, niet voor niks ging die spreekwoordelijke zon op, en dat lieten ze ook duidelijk weten. De bus reed verder, naar de Saqsayhuamán, heilige fort, of de hals en hoofd van de poema door het zigzagmotief in het 80 ton wegende gesteente, dat een strategisch doel had. Zo was het voor de vijand onmogelijk om de stad aan te vallen. Wat er verder nog gezegd werd is me helaas ontgaan, door mijn bonzende hoofd, want we waren stiekem toch nog 200 meter gestegen. Ik had er al een halve zak cocablaadjes in mijn wangen verscholen zitten, maar deze keer kon het effect van de coca niet op, tegen de hoogte. Ik staarde naar de lichtblauwe hemel en ging vervolgens maar plat op de grond liggen, dat scheelde dan weer zo’n anderhalve meter. Ik hoopte dat we bij het volgende station iets zouden afdalen, maar niks was minder waar. Het landschap was werkelijk adembenemend. Zenuwachtig kauwde ik nog meer cocablaadjes, ik dacht dat mijn hoofd zou gaan ontploffen. In Q’enko, Tambomachay en Puka Pukara liepen we een rondje, luisterden we naar onze gids en schoten we een paar foto’s, en toen het al weer donker begon te worden en de bus weer langzaam begon af te dalen, zagen we de verlichte poema in het dal liggen. En dat is werkelijk een prachtig gezicht. Toen we thuis kwamen, was ik kapot, en mijn hoofd was ondragelijk geworden. Ik kon mijn ogen niet open, noch dicht doen, niet naar links noch naar rechts en niet naar boven noch naar onder. Niet niks meer. Ik ben op het heilige tijdstip van vijf uur p.m gaan slapen. Dat was het beste. Ware het niet dat ik de volgende dag dan wél om vijf uur uit mijzelf wakker werd. Dat kwam goed uit, want we moesten om zeven uur die ochtend de trein hebben naar Aguas Calientes. Bestemming..? De Machu Picchu natuurlijk!


No hay comentarios: