Mostrando entradas con la etiqueta Perú 2009. Mostrar todas las entradas
Mostrando entradas con la etiqueta Perú 2009. Mostrar todas las entradas

miércoles, 6 de mayo de 2009

Las mañanas cusqueñas

Cusco, dag drie. De volgende dag had ik gek genoeg geen wekker nodig. In ieder geval, geen telefoons of muziekspelers, noch andere moderne uurwerken. De hanen ietsje verderop lieten duidelijk van zich horen deze ochtend, door de toch wel enkele beglazing van het hostal. Lekker primitief, maar de snooze –functie van dit Peruaans gevederte doet het gegarandeerd, en je kan het helaas niet uitzetten. Nou ja, ieder voordeel heb z’n nadeel zeg ik altijd maar, want als je om kwart voor acht op staat, ben je wél de eerste in de douche, de eerste voor het ontbijt, de eerste achter de enige computer in’t hostel, en heb je als eerste de spiegel en alle tijd om ook nog je haar te doen en je spullen bij elkaar te zoeken, én vervolgens de halve Lonely Planet uit te lezen, denk je, en voor je het wist was het half elf en stonden Tineke, Sandra en ook onze Ángel weer klaar om weer naar de bus te gaan. Destino?... Valle Sagrado, oftewel de Heilige Vallei.

Dit keer was ik al minder enthousiast als voorheen want een bus is altijd weer hetzelfde verhaal. Je rijdt ergens naartoe, je stapt uit, loopt rond, luistert naar de gids, stapt in en de bus rijd weer verder. Zo ging het ook precies, dus om een lang en saai verhaal kort te maken. De eerste halte was een kleine artesanía langs de kant van de weg, en vervolgens Pisac, de eerste Inca en pré- Inca ruines, met een astronomisch observatorium. Ik hoor jullie denken, nog meer stenen?Ja, maar voor mij is dat leuk, want ik kan alles vergelijken met dat wat ik ooit eerder ergens anders heb gezien, tussen de verschillende inheemse culturen, plus daarbij dat je er altijd weer iets Quest- achtigs van opsteekt. Toch moesten we in Pisac langer moesten lopen dan we dachten, langs een afgrond weliswaar en ook al heb je dit niet in de laaglanden, geloof me, het went. In goed gezelschap van wat Brazilianen en Argentijnen, (Tien had ze ook al gespot), hadden we behalve het fantastische uitzicht nog wat meer om te bezichtigen, en het zit natuurlijk gewoon bij de prijs inbegrepen, en dat was ook leuk. De volgende halte was in Urubamba, een gezellig wegrestaurant, dat over het algemeen nooit echt tegenvalt en daarna reden we door naar Ollantaytambo, daar waar we ook ooit eerder met de trein uit Aguas Calientes waren gestrandt.. eigenlijk was dat het gister nog, gekgenoeg. Ook hier werd er verteld over de terrassen waarop de Inca’s verschillende gewassen verbouwden, zagen we de graftomben verscholen in een berg, en leerden we iets over het gebruik van water.

Het was al laat in de middag en de bus reed verder de Andes in, naar het bergdorp Chinchero waar iets bijzonders gaande was. Het begon inmiddels al koud te worden, ook om de reden dat we weer zo’n vierhonderd meter stegen dus ik haalde mijn witte alpaca trui tevoorschijn. Dat klinkt misschien niet zo hip, dat weet ik, maar hij is het toch echt wel, al zeg ik het zelf. In Chinchero, was net een processie bezig vanwege het paasweekend en ‘El Señor de los temblores’ (De heer der aardbevingen), voor ons gewoon ‘Jezus Chr.’ de zoon van God, werd de kerk weer uit gedragen. Zoals we weten, ligt Peru op een breuk waardoor de aarde vaak in beweging is. ‘El Señor de los Temblores’, de beschermheilige van menig Peruaanse erfgoed, neemt dus deel aan de processie op deze Heilige Maandag. Dat was bijzonder om eens mee te maken, als Nederlandse tussen de Peruanen. De mensen kijken en observeren je, en een wat oudere man sprak me gewoon aan en vroeg waar ik vandaan kwam, terwijl ik samen met de rest in de stoet aansloot, ‘ik ben Peruaan, welkom’ zei hij, en gaf me een hand. Zo zou de hele wereld moeten zijn, dacht ik, dan zouden we veel minder problemen hebben, terwijl de lokale fanfare inzette. Voordat we de bus ingingen, het was inmiddels donker geworden, aten we nog een stuk kaas met een maïskolf, die de vrouwen in het dorp in grote ijzeren ketels kookten op straat.


Die avond, hebben we nog zo’n drie kwartier op het enorm drukke plein van Cusco gestaan. De opkomst was enorm, en eigenlijk wisten we niet zo goed meer in welke richting we naar ons hostel moesten lopen. En ach, met drie soortgelijke kathedralen aan elke zijde van de plaza de Armas, is dat misschien ook niet zo raar. Terwijl Sandra en Tineke bakkeleiden over waar we nou heen moesten, haalde ik mijn schouders op.. ‘God weet waar waarheen’ dacht ik, wachtend op wat er met ‘El Señor’ zou gaan gebeuren. Toen het enorme kruisbeeld de binnen de kerk werd gedragen, begonnen opeens alle mogelijke sirenes te loeien, en de grote verlichte Jezus, op de berg Saqsayhuamán achter het stadcentrum, sprong plotseling aan. En laat dat nou net in de richting van ons hostel liggen. Verrek, Zie je wel dat God het weet?... De rest van de avond zaten we weer in Jack’s, dat toch wel favoriet was geworden. Normaal gesproken ga ik nooit zo graag een paar keer naar hetzelfde restaurant, maar deze was zoo goed, dat we er niet eens over hoefden te peinzen. Ik wist eigenlijk in de bus al waar ik deze keer voor ging,

Hasta mañana..

martes, 5 de mayo de 2009

Pachu de Micchu..?

Met twee truien, een muts en laarzen, zaten we op ’s ochtends om half acht dicht tegen elkaar gedoken in een trein van Poroy naar Aguas Calientes. De blauwe locomotief blies zuchtend grijze wolken naar de lucht, en zette zich langzaam in beweging. Ik dacht dat het ijzeren dieselpaard wel even de tijd nodig had om op snelheid te komen, maar na twintig minuten heb ik deze gedacht maar gelaten voor wat hij was. Deze trein reed gewoon niet harder. Ik deelde de bank met Sandra en tegenover zat een vriendelijk Colombiaans stel uit Medellín, waarmee we aan de praat raakten maar waarvan ik de namen alleen niet meer weet. De twintig jaar jongere vrouw heette ook Sandra, volgens mij, dat weet ik nog, en het kaartje van de man moet nog ergens in mijn tas zitten. De treinreis naar het dorpje aan de voet van de Machu Picchu (Oude berg) duurde precies drie uur, langs dorpen en gehuchten, de onstuimige Urubamba rivier en de grote rotsblokken van het Andes gebergte. Het was prachtig, maar drie uur is toch wel lang. Ik vermaakte mezelf door foto’s uit het raampje van de wagon te maken, en een beetje heen en weer te lopen.

Toen we het station naderden, zagen we nog niks. We hadden nog een tocht naar boven voor de boeg. Snel wat te eten zoeken, en daar gingen we. Al bewegend zagen we de blauwe trein onder ons steeds kleiner worden, tot er hij na enige tijd veranderde in een minuscuul Märklin- treintje tussen het groene gebergte. Ik moest meteen denken aan de miniatuurtreintjes van mijn vader, en de spoorbaan die ooit uitgestald stonden op de zolder van ons oude huis, maar nou ergens in een doos moest zijn verdwenen. Deze gedachte werd overtroffen door de Wayna Picchu (Jonge berg) die echter als eerste op mijn netvlies verschijnt, ze is hoger, vandaar. Terwijl we nog steeds richting de verborgen stad liepen, en we al door de poorten waren gekomen, was er nog geen glimp op te vangen van de Inca stad. We klommen op ons eigen tempo door de Peruaanse Jungle omhoog achter de gids aan. En dan opeens dan krijg je het voor je. Dan hoor je muziek, niet in echt natuurlijk, maar dat hoorde alleen ík in mijn hoofd, als ik iets geweldigs zie. Daar beneden, daar lag het. Wauw, this is it..!




Ik stond nu zelf in de foto, samen met Sandra en Tien waarnaar ik wel tachtig keer heb gestaard in de Lonely Planet. 'Of in het het schilderij op de muur van Javi’s kantoor in Granada, en op de satelliet van Google Earth. Het is werkelijk magisch. Machu Picchu. En echt, you can feel the old spirits..! De Spaanse gids vertelde de mythes en de legendes van het werelderfgoed ten noorden van Cusco, dat het pas ontdekt in het jaar 1911 door een Engelsman die op een ezel het gebergte in trok. De stad moest zo rond 1437 zijn gesticht maar het is slechts 100 jaar bewoond geweest. Waarom de stad is verlaten, weet niemand. Waarschijnlijk een epidemie moet de stad hebben leeg doen lopen. De Spanjaarden, waarvonder Pizarro, hebben de stad echter nooit ontdekt… Daarom is het in zijn geheel intact gebleven, al moest er her en der wel even gesnoeid en wat gras gemaaid worden natuurlijk.. We hebben een halve dag op de spirituele plek mogen doorbrengen, en zijn we ook drie keer van outfit gewisseld door de wolken die gewoon door ons eens kwamen, maar het was zeker de moeite. We hebben de Inca muren, tempels en gebouwen met onze blote handen kunnen aanraken, nog wat geleerd over de bouw- en vechttechnieken en dat er drie manieren zijn om rotsen te splijten. Namelijk water, hout, en vuur, en over hoe je verschillende gewassen kan verbouwen op dezelfde berg. En ach, je weet maar nooit waar je het nog eens voor nodig kan hebben, zeg ik dan, denkend aan mijn avocadoplant die ik Utrecht ben vergeten in de keuken te zetten. Jammer dan. Ik plant wel weer een nieuwe... Er waren ook zelfs nog wat lokale Andes bewoners thuis, zoals de lama’s, alpaca’s en vicuñas die vreedzaam op de terrassen stonden te grazen. En ja, je mag ze rustig fotograferen, ze hoeven er niks voor terug.. Terwijl het al tegen vijven begon te lopen en onze maagjes lieten weten dat ze ook nog present waren daalden we weer af, waar ik me in een klein Mexicaans restaurant in het Peruaanse dorp te goed deed aan jawel.. pizza.

Terwijl we nog even over de markt struinden, en Sandra er een sport van maakte om overal af te dingen totdat het niet voor minder kon, luisterde Tien en ik aandachtig naar de manier waarop deze Oostenrijkse dat deed, om er vervolgens van de profiteren. En dat lukte. Voor een paar sol zaten we uiteindelijk in de trein terug, Sandra met nieuwe oorbellen, en Tineke en ik met een nieuwe portemonnee. Het was inmiddels donker geworden en de Vista trein van de terugweg was wel sneller en luxer ook. Het was een enkel rijtuig, en leek meer op een oude tram, met een soort van glazen dak. Hierdoor kon had je echt een fantastisch uitzicht naar hemel, waaraan duizenden sterren verschenen. Na enige tijd stopte het rijtuig in het dorp Ollantaytambo, ons eindstation. Vanaf hier zouden we met een bus opgehaald worden, om terug naar Cuzco te gaan. Zouden...

Na een half uur zoeken naar een bus die er niet was, vijf boze telefoontjes die ons uiteindelijk niks opleverden gingen we in zee met de opdringerige taxichauffeur die ons wel voor 80 soles naar Cusco wilde rijden. Er was iets aan hem dat me niet aanstond, maar we hadden blijkbaar geen andere keus. Hij wilde het maar al te graag doen, maar waarom er stonden toch nog meer mensen? De eerdere spannende verhalen van Tineke over ontvoeringen en verdwijningen werken ook niet echt bevorderend, maar she was damn right..! Het was gevaarlijk om zomaar negentig kilometer in het wilde westen met één of andere vage taxichauffeur mee te gaan door een in Andes. Als je moeder het wist. Maar wat moesten we dan? in de dorp was anders ook niks. En we waren we met z’n drieën, maar toch, ik heb mijn ogen de hele weg wijd open gehouden, en geestig genoeg dacht aan de Inca- vecht technieken die ik eerder op de dag gehoord had.. in geval van nood dan. De hele weg door de Andes, werd er niks gezegd en toen we eindelijk in Cusco aankwamen moest ik eigenlijk wel een beetje lachen om mijn voorbarige gedachten, ik ben wel blond.. maar toch he. Ik zag dat er bij Tien ook een glimlach verscheen en ik slaakte toch wel een zuchtje van verlichting. We zijn er…

Roadtrippin' to Cusco..

.. en daar zijn we gek op, al moeten we de hele nacht wakker blijven. Wat dus ook zo was. Tien kwam terug van haar ‘Perentino’ of ‘Argentano’ date, wat je ook wil, maar in ieder geval door mij goedgekeurd. Ver na enen weliswaar terwijl ik nog een spaanse cultfilm afkeek op mijn geliefde laptop en ik had mijn roadtriptasje alweer ingepakt op het bed gezet. Deze keer kreunde het niet en de rits ging zonder mokken dicht. Tien’s rugzak stond er wel hoogzwanger bij, maar de backpack van Sandra spande toch wel de kroon… of nou ja, de kroon. De zoom. Om drie uur ’s ochtends stond er weer een taxi klaar voor General Silva nr. 699, en onze tassen werden achterin geladen. Op het laatste moment griste ik nog snel een zak Doritos van tafel die over was gebleven van een verjaardagsfeestje, en reden we even later door Lima- by- night richting het de airport. De taxi reed hard en de weg ernaartoe wat eerder een drukke verkeerschaos was van toeterende bussen en kruisende voertuigen, leek nu meer op een verlaten racecircuit, waarvan deze taxi dierbaar gebruik maakte. Ook de borden boven de vierbaansweg, waren op één of andere manier minder opvallend geworden en de zee was een was veranderd in een donkere vlek. Het wijzertje van de kilometerteller zakte van ongeveer 130 naar de 90 en het glazen gebouw van Lima airport doemde voor ons op.

Twintig minuten later zaten we onderuit gezakt op een bankje voor de controle. Niemand sprak. Ik overhandigde Tien een paar Amerikaanse dollars om vliegbelasting te betalen, ik vroeg waarom, waarop ze geen antwoord gaf. Het zal wel weer een té simpele vraag zijn geweest,.. ‘niet alles is zoals in Europa’, zei ze uiteindelijk. ‘Slaapgebrek’, dacht ik. Ik had geen zin om er verder op in te gaan, en sloot aan in de rij voor de bagagecontrole. Terwijl de twee behendig hun spullen uit en weer inpakte, werd ik plots uit de rij geplukt. De man wees naar een kaart met allerlei plaatjes, en hield mijn mini- deo omhoog. Dit valt onder explosieven, mompelde de meneer, ik knikte, en het flesje werd in een transparante bak gemikt. Tien en Sandra wachten nieuwsgierig buiten de controle op me, en toen we eenmaal in het vliegtuig zaten haalde Tineke opeens een normale grote bus deodorant uit haar tas.. ‘en dit dan zeker niet’. ‘Sja’, ik grinnikte, maar vroeg ook deze keer maar niet verder.‘ Inderdaad, niet alles is zoals in Europa’, bevestigde Sandra lachend.

Terwijl we al enige tijd vlogen over een dik wolkendek, de rest in slaap was gevallen, en ik uit verveling al twintig keer het ‘wat-te-doen-bij-nooduitgangen-in-geval-van-nood- boekje had gelezen, staarde ik maar uit het raampje en zag dat er opeens zwarte punten uit het witte wolkendek staken. We vlogen boven de Andes en de voormalige Inca stad was op nog slechts tien minuten van ons verwijderd. Dalen hoefde we eigenlijk niet echt, Cusco ligt op ongeveer 3.323 meter hoogte. Vandaar. Luttele minuten later was ik voor even opgelucht toen ik Pacha Mama (moeder aarde) weer onder onze voeten hadden. Maar dat opgeluchte gevoel verdween al in minder dan een uur. Ik merkte al zeulend met mijn tas, dat ik sneller moe was dan ik dacht, en dat had niet te maken met de acht kilo die ik op mijn rug droeg, want normaal neem ik ongeveer zes keer zoveel mee op reis. En vlakbij ons hostel In Cusco en eenmaal op het station, voelde me opeens zo High, dat het er op leek of ik engelen ging zien. En die zag ik ook.

Ángel, de sportieve Peruaanse medewerker van het Flying Dog hostel in Calle Choquechaka (spreek uit: Tjokketjakka), hielp ons aan informatie, bustours in Cusco, begeleidde ons naar het station voor treinkaartjes naar Machu Picchu, de Inca Express, en een toeristenkaart om alle monumenten te kunnen bezoeken, en een sleutel van het hostel, en alles wat ik nog meer vergeten ben. Hij was er eigenlijk altijd, bracht ons ’s ochtends naar de bus, wachtte ons soms op, en deed zelfs de ansichtkaart van Sandra op de post. ‘Yo soy vuestro Ángel’ (ik ben jullie Engel), zei hij breed glimlachend toen Sandra hem iets vroeg over de stad. Ik ging hem al bijna geloven zo. Bijna, zeg ik er bij.

Van de drie dagen die we hadden in de voormalige Inca hoofdstad, waren we twee dagen lang weer onderweg. De dag dat we aankwamen, waren we om tien uur eindelijk ondergedoken ons pittoresk peruaans hostelletje, en wel in de dikke donzen dekens want ik verging inmiddels van de koppijn. We deden wat de cusceños ons hadden opgedragen; namelijk slapen, want op deze hoogte moet je het lichaam de tijd geven om zich aan te kunnen passen, zeker als je uit landen van beneden zeeniveau komt. Wat dus bij Tien en mij het geval is. Daar zijn wij Nederlanders ook gewoon niet op gebouwd. Bovendien moesten we de dezelfde dag nog op pad naar allerlei cultureel erfgoed, dus die siësta konden we wel gebruiken. We gingen vóór de stadtour van 13 h, nog snel even lunchen in een café dat meteen favoriet was, en vervolgens stond onze Ángel al voor het hostel te wuiven dat we op moesten schieten, rennen deden we niet want dat konden we gewoon niet, maar toch zaten we tegen half twee in de bus.

De eerste stop was de Qorikancha, dat in Inca tijden de ‘Gouden Tuin’ moest zijn geweest. Een belangrijk deel van Cusco, de stad in de vorm van een poema. De Qorikancha was ooit bedekt met gouden platen, en tempels gewijd aan de zon, maan, de aarde de sterren etc. Tegenwoordig is het een museum waarin je veel over de Inca’s te weten komt, en nog monumenten en resten van de stadsmuren kan zien. Toen we het gebouw uitkwamen werden we meteen gestrikt door een paar verdwaalde Inca families in traditionele kleding, compleet met lama’s en schapen, dus daar hebben we maar even een foto van gemaakt. En ach, niet voor niks ging die spreekwoordelijke zon op, en dat lieten ze ook duidelijk weten. De bus reed verder, naar de Saqsayhuamán, heilige fort, of de hals en hoofd van de poema door het zigzagmotief in het 80 ton wegende gesteente, dat een strategisch doel had. Zo was het voor de vijand onmogelijk om de stad aan te vallen. Wat er verder nog gezegd werd is me helaas ontgaan, door mijn bonzende hoofd, want we waren stiekem toch nog 200 meter gestegen. Ik had er al een halve zak cocablaadjes in mijn wangen verscholen zitten, maar deze keer kon het effect van de coca niet op, tegen de hoogte. Ik staarde naar de lichtblauwe hemel en ging vervolgens maar plat op de grond liggen, dat scheelde dan weer zo’n anderhalve meter. Ik hoopte dat we bij het volgende station iets zouden afdalen, maar niks was minder waar. Het landschap was werkelijk adembenemend. Zenuwachtig kauwde ik nog meer cocablaadjes, ik dacht dat mijn hoofd zou gaan ontploffen. In Q’enko, Tambomachay en Puka Pukara liepen we een rondje, luisterden we naar onze gids en schoten we een paar foto’s, en toen het al weer donker begon te worden en de bus weer langzaam begon af te dalen, zagen we de verlichte poema in het dal liggen. En dat is werkelijk een prachtig gezicht. Toen we thuis kwamen, was ik kapot, en mijn hoofd was ondragelijk geworden. Ik kon mijn ogen niet open, noch dicht doen, niet naar links noch naar rechts en niet naar boven noch naar onder. Niet niks meer. Ik ben op het heilige tijdstip van vijf uur p.m gaan slapen. Dat was het beste. Ware het niet dat ik de volgende dag dan wél om vijf uur uit mijzelf wakker werd. Dat kwam goed uit, want we moesten om zeven uur die ochtend de trein hebben naar Aguas Calientes. Bestemming..? De Machu Picchu natuurlijk!


miércoles, 29 de abril de 2009

And everybody goes surfin'..!

De oceaan die de vorige avond vanaf het park nog zo bedriegend kalmpjes had geleken, veranderde de volgende dag in een kolkende massa met een ongekende kracht. Als Nederlandse zou ik moeten weten wat de kracht van water is, maar tegen de pacific kon ik niet op. Hoezo pacific..? Toen ik met mijn rode surfplankje compleet in cat of wetsuit, hoe je het ook graag ziet, en surfleraar het water in ging, had ik er toch eerst een ander idee van. Het rotsenstrandje van Lima Beach, is ook lang zo romantisch niet als het strand in Aveiro en de venijnige steentjes sneden in de zolen van mijn voeten.. De eerste twee golven waren ook niet zo heel leuk. Ik was mijn surfleraar kwijt in de oceaan, en Tien, Sandra en Johannes waren al helemaal nergens meer te bekennen. Stel het even voor; Ik, gillend, plat op mijn plank richting playa.. Golf drie ging ik overigens wel lachend, maar de surfers die zich op mijn pad bevonden maakte ik toch maar duidelijk dat ze maar beter uit de weg konden gaan. Waar zo’n lach al niet goed voor is. Bij de vierde deed een poging tot staan, en ik stond, maar opeens was mijn plank onder me verdwenen. Mijn armen besloten ook al niet meer verder te roeien en ik maakte de surfboy duidelijk dat ik naar het strand wou.. En dat ging nog sneller dan ik dacht. De eerste golf, of vijfde dan, die zich aankondigde nam ik, zo gezegd zo gedaan. Toen ik nog maar 50 meter van het strand verwijderd was gebeurde het. Toen ik me omdraaide zag ik een enorme schuimkop op me afkomen. De surfers aan mijn linkerzijde schreeuwden ‘buceeeeeooooo’ in mijn richting in het Spaans, en gelukkig begreep ik het snel..ik heb ook nooit spijt van die studie gehad. Het kan zelfs je leven redden, dus ;). De golf naderde en hield mijn adem in, boog mijn hoofd en de klampte de rode plank strak tegen me aan, en dook er midden in. Ik brak daarmee de golf, en das beter als andersom. Verder weet ik niet hoe ik nou weer boven kwam maar ik ben alleen maar mijn oorbel verloren. Mijn voeten zagen er weer gehavend uit en door mijn pijnlijke armen van het roeien kon ik die catsuit niet eens in mijn eentje uitkrijgen. Om over mijn kapsel nadien, nog maar te zwijgen. En serieus, ondanks alles, ik vond het fantaaastisch. Het gevoel is onbeschrijfelijk leuk..! Na het surfavontuur aten we ook nog eens guacamole van Peruaanse palta’s, tortilla's en wijn, zaten we met z'n zevenen in een vierpersoons taxi, en sleten we de rest van la Noche Latina dansend in ‘la Tayta’..! y ya está..

Miraflores, Pachacamác y la película peruana..

Wat normaal een saaie zondag had kunnen zijn was nou eens alles behalve dat. Tineke had een stadstour door Lima voor de ambassade georganiseerd, en ik mocht ook mee. Om half tien ’s ochtends reden we met de Mirabus de brug over richting het centrum van de stad. Kwamen we langs musea en de belangrijke gebouwen, wijken en stranden van Lima. Terwijl we reden dacht ik aan de stadtour die we een jaar geleden met zijn drieën door Guadalajara hadden gemaakt en terwijl we elkaar aankeken wisten we allebei wat we dan toch wel misten; Lau, en een fles. Maar toch, ook zonder flessen, dus daar kan het niet aan gelegen hebben, herinner ik me toch het meeste al niet meer. Behalve het Convento de San Francisco in het hart van de Peruaanse hoofdstad. Het was prachtig, en ik moest ook hier weer denken aan iets dat ik al eerder had gezien, dat was in Portugal geweest. Waarom vergelijk ik toch altijd alles? Tijd om er verder over na te denken had ik niet, want de groep liep inmiddels al naar de catacomben van het Convento, waar botten en schedels uit de koloniale tijd netjes gesorteerd lagen. Het was interessant, dat zeker maar toch had ik geen zin om lang te blijven. Simpelweg om de reden dan de gids een anekdote over een aardbeving begon terwijl hij in de catacombe aan het werk was, en als je je dan toch onder de grond in een doolhof bevind, is dat natuurlijk het laatste wat je horen wil. Gelukkig was de rest het er ook mee eens, en de weg naar de uitgang was dan ook zo gevonden. Een kwartier later zaten we weer in de zon op het pleintje te wachten op de Mirabus.

De rest van de dagen bracht ik door op het dak van Casa Roja of slenterend door Miraflores, langs artesanías en schoenwinkel ‘Vilma’, de Ripleys. Lezend op een bankje in Parque Kennedy, luisterend naar de jonge panfluitspeler op straat of zeulend met ons wasgoed naar de Laundry Service, en terug. Lunchen voor zeven soles (á 1.75) met Tien in de stad, en cultfilms kijken in de bioscoop van Miraflores. Het was ‘la Teta asustada’, over de roerige geschiedenis van Peru, de vrouw, het terrorisme en alle andere miserie. Maar ook ben ik per bus naar Pachacamác gegaan, een archeologische vindplek van de Inca’s, waar ik ben overladen door nog meer historie, mythes en legenden en zand, zee en iets teveel zon.

Bohemian' Barranco..

En dan, El Barranco, de art- wijk van Lima. Dat is vooral kerkjes en verlichte kapelletjes, beelden, muzikanten en allerlei jaren ’60 electricos vullen het pleintje. De restaurantjes zitten gezellig vol, en er klinkt muziek op straat. Een affiche op straat vertelt je het ware verhaal van de Barrio Latino, net zoals de muurschilderingen die je door de hele Barranco verspreid ziet. En dan heb je nog la Puente de los Suspiros, de brug der zuchten.. Een houten brug, waar je overheen mag lopen, met ingehouden adem weliswaar, want dan mag je een wens doen. En daar hou ik van, net zoals het bronzen paso- paardenbeeld dat op het plein stond opgesteld. Een plek vol geheimen, verliefden, oorbellen en goede cocktails. En ach, zo werd het nog sneller vrijdag in Lima dan ik dacht. Want zaterdag 4 april, betekent: Roadtrippin’ …!

En dat..wordt natuurlijk vervolgd..

Lima

Lima is een stad met pech. Veroverd door Pizarro in 1572 en vertrapt door de terrorisme van de Sendero Luminoso, de maoistische guerillabeweging van het land. Het is er verstikkend, chaotisch en gevaarlijk. Honderden taxibusjes en auto’s kruisen toeterend ons pad. En er staan mensen, die midden op straat kauwgom verkopen, of je wordt opgehouden door voertuigen die dwars over de weg staan. Het heeft iets triests. Terwijl Tineke over haar Peruaanse avonturen vertelde, keek ik ondertussen mijn ogen uit. De verlichte reclame langs de kant van de Pan Americana, de felgele borden, ‘Inka Kola’, schreeuwen naar je, net zoals de enorme Las Vegas- achtige gokhallen, ‘Tragamonedas’ zijn onvermijdelijk. Aan de andere kant zag ik huizen zonder ramen, noch daken, en de smoezelige straatkinderen onder een knipperende kermis van de casino's die afsteken tegen de schemering van de vroege avond..
Ay, Lima.

Het volgende moment doemde de oceaan op, die kalmpjes zijn golven tegen de klif gooide. Starend naar het tafereel, en Tiens verhalen, droomde ik langzaam weg maar werd spoedig weer ontwaakt door een toeterende combi, of zo’n oude Amerikaanse schoolbus. Een nog onbekende cumbia klinkt uit de krakerige radio. De deuren van de taxi zijn vergrendeld, en onze tassen liggen onzichtbaar op de grond. Ik glimlach even om waar ik me nou weer bevind, en laat het allemaal niets vermoedend over me heen komen. Het leven is raar, als recent drieëntwintig, twee nachten niet geslapen hebt, en ook nog eens een halve dag teruggaat in de tijd. Gelukkig is Tien, die terwijl alles is veranderd, nog steeds hetzelfde gebleven. Ook hier.. in Lima.

Casa Roja, het gasthuis waar Tineke verblijft is groot en opvallend. Een beetje Cubaanse stijl, koloniaal, prachtig weliswaar. Ik zou er de hele dag wel op de bank kunnen zitten, samen met de wit ijzeren art nouveau leuning van de entre sol, kijken naar de mangobomen uit het grote open raam. Er wonen meestal dertien mensen, en is in bezit van een Hare Krisna familie. De mensen in het huis noemen het dan maar Eeitch Keej (HK), om maar niet telkens over de familie gebruiken te hoeven spreken.. Het huis namelijk voorzien van vele boeken en ze leven volgens een strikt regime. Ik weet niet precies wat het allemaal inhoudt, maar volgens Tineke staan ze iedere dag op zes uur op, drinken ze geen koffie en alcohol, geen vlees etc. Toen ik een kind in een soort van superman pak, door het huis zag lopen, voegde zijn HK moeder eraan toe dat het waarschijnlijk niet is wat het lijkt. En OMG.. haha. Het was namelijk niet de gewone, maar de vegetarische superman. En die bestaat echt mensen, in Lima.

Tineke vertrok vrijdagochtend rond achten naar haar werk, en om jetlag redenen werd ik om twee uur in de middag pas wakker. Tien was gelukkig tegen drieën alweer terug en zijn we naar een bezoek aan de lokale supermarkt ‘Wong’, dat op vijf minuten lopen van La Casa ligt, het centrum van Miraflores ingegaan. En ach, de naam zegt het al want de fleurige bloemperkjes springen het eerste in het oog. Miraflores wordt goed bijgehouden, en het is er schoon én veilig. Een van de rijkere wijken, van Lima.

We zijn op onze slippers de hele Avenida de Benavides afgeslenterd, naast van de tientallen toeterende micro’s die voorbij komen schieten.. over de Expresa via Avenida Larco, richting la calle de las Pizzas in het centrum. Vlakbij Parque Kennedy nip ik voorzichtig van de Pisco Sour, het nationale drankje van Peru.. en ik moet zeggen, dat had ik net even nodig om tot slot op precies het moment suprême aan te komen in el parque del Amor, gewoon voor ‘la tristeza agradable’- gevoel. Een Peruaanse zonsondergang omringt door mooie woorden in mozaïek in de muur geplaatst zoals ‘Amor es como luz’... een Gaudi- achtige bank en een nog prachtiger beeld.. ‘El Beso’ van Victor Delfin. En toch.. a pesar de toda esa belleza, me faltaba una cosa.. Gelukkig breekt Tien met mijn afdwalende gedachten, door te zeggen dat ze een plek weet voor iets lekkers. Het werden panpizza’s, met daarna ook ietsje minder Peruaans, de salsabar ‘el Son de Cuba’, met uiteraard Cubaanse Live muziek. Ach ja, na twee echte peruaanse pisco’s moet je niet te snel meer willen integreren, ook niet in...

...Lima




Eve goes Latin America: Peru!

Een waterval kwam naar beneden. Verscholen in de kraag van mijn jas hees ik mijn welbekende roadtriptas en paarse koffer de trap van de gloriantdreef naar beneden. Een zomers duo, maar het paste niet op één of andere manier. Het was koud, de regen sloeg genadeloos dikke druppels in mijn gezicht en het bleke witte licht van de lantaarns op de grote parkeerplaats voor het gebouw weerspiegelden op het asfalt en de taxi kwam de hoek om. Tien voor vijf ’s ochtends, Dios mio.. Ik verliet mijn huis op weg naar het station om de eerste trein naar Eindhoven te nemen. Vanaf hier ging het snel. Behalve dan op de luchthaven, het welbekende bagageverhaal. Hoe dan ook, ik neem altijd net iets te veel mee. Gelukkig mag ik altijd doorlopen, maar toen de baliemedewerker me duidelijk maakte dat de laptop toch echt in de rode tas moest passen, brak me het zweet uit. Het ding barstte zonder dit object nog net niet uit zijn voegen. Met mijn beste neplach, ritste ik de tas open en deed alsof ik de laptop er zonder problemen in kreeg. Na tien minuten wrikken, deelde de medewerker me dan maar mee, dat de tas dan maar niet dicht hoeft te kunnen. Een zucht van verlichting, want al had ik het met tien man geprobeerd, de tas zou niet dichtgaan, en ach, eigenlijk wilde ik dat niet eens proberen, ik was aan die tas gehecht. Lees de rest van de verhalen en je weet over welke van de honderd tassen ik het heb. Ik draaide me om richting gate, en grijnsde. Het was me weer gelukt. Volgende keer kijk ik écht wel uit, écht...

Noche madrileña I

Om 12.15 landde het toestel op Barajas, Madrid. Na een iets te geïnteresseerde medepassagier uit Panama wist ik me hier toch eindelijk van los te maken, haalde ik mijn spullen op en belde een studiegenoot. Vanwege de aansluiting op de vlucht naar Lima van de volgende ochtend, was ik genoodzaakt eerst via Eindhoven naar Madrid te vliegen. Tirza die voor een paar maanden in de Spaanse hoofdstad woonde bood aan om samen iets gezelligs te gaan doen de tijd die ik er was. Toen ik het nummer intoetste op mijn mobiel om kwart over één, kreeg ik een ietwat verwarde stem aan de lijn. Ze sliep nog, ‘oja’ we zijn in Spanje, dacht ik meteen, maar toch, om twee uur zou ze bij Plaza España staan. Ik nam de metro, en ging de Starbucks binnen op de afgesproken plaats. De reis was begonnen, Viva España, terwijl ik de helft van de kleding uit trok die ik aan had. De bagage dumpte we in het huis bij Nuevos Ministerios, om vervolgens de Gran Vía af te lopen, langs alle Mango’s, Blanco’s en de Stradivarius. Ja, lieverds, ik héb ze gemist. Tot het Park zijn we niet gekomen, want op de Puerta del Sol, zijn we bij een bekend café maar aan de Sangría gegaan, waar we dan ook maar meteen twee uur zijn blijven zitten. Toen de zon al bijna onderging, zijn we ook met Marie- Claire, een huisgenootje maar naar de 100 Montaditos gegaan. Een typische tapasbar, warm, druk en rokerig, maar het maakte me ergens wel gelukkig. Het deed me denken aan Granada. Van de rest van de avond kan ik me overigens weinig herinneren, niet waar we het allemaal over gehad hebben, noch hoe we thuis zijn gekomen. Ach, één nacht overgeslagen plus twee Sangria’s, is ..juist. Dat krijg je ervan. In het huis van Tirza reorganiseerde ik mijn koffer, en propte er vijf kilo van mijn handbagage bij, ja je moet wat over hebben voor een goedkopere vlucht, en tegen 00.15 pakte ik de laatste metro naar Barajas. Om 5.50 zou het vliegtuig vertrekken naar Lima.

Noche madrileña II

Of het nou ochtend of nacht was, ik wist het verschil niet meer, ik had alleen telkens het gevoel dat ik al een week onderweg was. Op Barajas, had ik serieus echt moeite om wakker te blijven wat me kwaad maakte. Met twee koppen koffie slaagde ik er toch in, en las ik drie uur lang het boek ‘Gomorra’, ik heb het al voor de helft uit. Had ik al gezegd dat ik nog een tussenstop had? Enfin, eenmaal ik het KLM toestel, viel ik in een diepe slaap, en werd ik wakker in jawel, Amsterdam. Ik moest haasten, weer twintig douanes en controles, en toen kon ik dan eindelijk het toestel naar Lima betreden. Eigenlijk was ik van plan verder te gaan dutten in mijn stoeltje bij het raam, want na twee nachten vertelden de spiegels van het Schiphol toilet, dat het blijkbaar nodig was. Maar niets was minder waar want één van mijn medepassagiers naast mij was Maria Fernanda, van 2.5 jaar oud. Tja, je kunt niet alles hebben, luidt het gezegde. Verder heb ik trouwens geen kinderen in het hele toestel gespot. En laat de kleine MF nou uiteraard (huilend) in het stoeltje naast mij zitten. Ergens had ik medelijden met de moeder die verontschuldigende gebaren naar mij maakte en tevergeefs pogingen deed om het kind te troosten. Ook eten was een probleem, en af en toe moest ik me verschuilen achter mijn blauwe KLM blanket, om rondvliegende koekjes, en stukken fruit te ontwijken. Gelukkig duurde het gehuil slechts ongeveer 6/12 van de hele vlucht, en na vier films, en een boek, was ik ergens blij dat het Peruaanse meisje naast me zat. Zo had ik tenminste wat te doen, wat met Maria, liep ik enkele rondjes met het kind door vliegtuig.

Een donderdagavond in Lima. Tien, (nee, nog niet die Tien) voor vijf in de middag, Peruaanse tijd. Terwijl de drukke aankomsthal langzaam leegstroomde, bleef ik achter met de tientallen taxi chauffeurs en een Peruaanse professor uit Trujillo die ik leerde kennen tijdens de vlucht, zoekend naar een bos die ik maar niet kon ontdekken tussen de menigte. De man knoopte een gesprek aan, en twintig minuten lang praatten we over Peru, wie we waren en wat we deden. Toen eindelijk zijn Latijns Amerikaanse vrouw haastend op haar hakken op de man kwam afgestoven, bleven ze nog even staan, en boden me zelfs aan ergens af te zetten. Ik bedankte ze vriendelijk, maar besloot toch echt op mijn huisgenootje te wachten, die waarschijnlijk vastzat in het drukke verkeer van de hoofdstad. De vrouw gaf me nog een kaartje met haar nummer in geval van nood; Patricia Fernández, San Isidro. Ze was kapster vertelde het kaartje me. Terwijl ze langzaam uit het zicht verdwenen, werd ik opeens opgeschikt door een arm om me heen, ze moest op mijn blinde vlek hebben gezeten, want ik schrok me rot; hé ‘Evita’..! Daar was ze dan, met precies dezelfde bruine bos krullen die ik me ook had voorgesteld. Mijn roadtrip maatje, huis- en studie- en landgenoot, en tevens lid van ‘la banda’: M.C. van Rijn, alleen zo krijg je der door alle douanes.