Ik zette het op een lopen en liet de stad achter me voor wat ze was. Vervreemd. Ik nam het vertrouwde pad naar boven want daar was het tenminste stil. Ooit liepen we hier met z'n tweeën, en had ik genoeg aan jouw arm. Ooit. Toen ik het laatste moorse boetiekje voorbij was en de enorme stenen poort passeerde zocht ik naar troost in de boog van schaduw. Het grind van de gladde kasseien van de straat knarstte onder mijn bruine laarzen en ik versnelde mijn pas. Welk uur het was of wat mijn bestemming zou zijn wist ik niet. Het deed er niet toe. Er waren geen stemmen noch maskers, en geen blauwe hemel...
Ik bleef lopen, alleen. De laatste winterse regendruppels sijpelden in het gootje naast mij naar beneden, en het geruis van de wind door de bomen leek op gefluister dat mij het mysterie van de stad duidelijk probeerde maken in een taal die ik niet beheerste. Onverstaanbaar. Ik week af van het pad, en kwam uit bij de open plek. Ooit hadden we hier een zondag doorgebracht, onder de oude eik, met z'n zevenen. De halve wereld op een geruiten kleed. Waar we lachten en dronken, oranje bessen van de bomen plukten en elkaar verhalen vertelden. Ooit. Nu was het er leeg en stil. Geen stemmen noch maskers, geen blauwe hemel, geen flessen rode wijn...
Ik liep nog verder, en de lucht kreeg langzaam een bittere smaak. De weergoden lieten hun donkere stemmen weerklinken tussen het zilver van de bergen, maar gelukkig bood het groene dak boven mij bescherming tegen de vallende tranen uit de hemel. Ondoordringbaar. Ooit, op een winterse dag in November meenden we de wereld te kunnen verbeteren terwijl naar de foto's langs de kant van het pad keken, en discussieerden over muziek en toekomstplannen. Diezelfde dag, toen we pacha mama nog op handen droegen. Ooit. Vergeten zal ik het niet. Nu hoor ik geen stemmen noch maskers, zie ik geen blauwe hemel, geen flessen rode wijn, geen zilveren bergen...
Intussen liep ik mijlenver en ik wendde mijn hoofde af en merkte de stenen trap langs de kant van het pad op. Onveranderd. Terwijl ik omhoog liep, dacht ik aan wat ik hoopte te zien. En de wijdse oliveira doemde langzaam op. Dit was het hoogste punt, waar ik toch ooit verdwaalde, mezelf compleet verloor tussen de honderden olijfbomen, en mijn weg weer terug vond door de gouden zon te volgen die me terug bracht naar het allermooiste huis van de stad. Ooit. Nu kende ik de weg nog steeds, maar er waren geen stemmen noch maskers te bekennen, geen blauw van de hemel, geen flessen rode wijn, geen zilveren bergen en geen gouden zon...
Plots schrok ik op, en voor het eerst dacht ik jouw arm te voelen en leek ik de bomen te verstaan die fluisterden; 'Volgende halte'... Neckardreef'. Er was nog steeds niemand. Het mooie groene dak dat eerst nog bescherming bood werd langzaam grijs, en omarmd door slechts het wit gevlochten hengsel van tas die ik bij me droeg bedacht ik me dat het half elf was, en het langzaam nacht werd. Onthecht. Voor het eerst had ik een hekel aan lopen.
Geen stemmen noch maskers, geen blauwe hemel, geen flessen rode wijn, geen zilveren bergen, geen gouden zon... maar twee haltes te ver.
Eva